Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Boek van de maand

Robert Graves
Dat hebben we gehad
 
“Afgezien van de uitzonderlijke waarde van het boek als document over de oorlog, is het van belang als een van de meest openhartige zelfportretten van een dichter ooit gepubliceerd. Times Literary Supplement”. Deze uitspraak siert het achterplat van Robert Graves’ Dat hebben we gehad. Een aanbeveling die we tegenwoordig op ieder boek aantreffen en we dan ook niet al te serieus moeten nemen. Of Dat hebben we gehad van uitzonderlijke waarde is als document van de eerste wereldoorlog waag ik te betwijfelen. En ik denk ook niet dat Graves’ memoires zo openhartig zijn als deze criticus meent.
 
Niettemin blijf ik het een fantastisch boek vinden, ook nu ik het na ruim twintig jaar weer opnieuw heb gelezen. Ik ben daar altijd nogal beducht voor. Bang dat na herlezing het verhaal zijn oorspronkelijke glans verliest en dat de teleurstelling daarover blijft hangen. Gelukkig is dat hier niet het geval, ofschoon je een boek na twintig jaar noodzakelijkerwijs met andere ogen leest.
 
Destijds, begin ’80, was ik verbaasd en geschokt door de nodeloze opoffering van mensenlevens, de bizarre legercultuur en de absurditeiten van de loopgravenoorlog. Als ik het nu weer lees raakt het me toch iets minder. Maar in die dagen lag dat anders. Dat hebben we gehad zal altijd een bijzonder boek voor me blijven want toen ik het had uitgelezen wist ik definitief dat ik niets in het leger te zoeken had. Ik ging dan ook vervangende dienstplicht doen.
 
Ik moest mijn keuze voor een commissie verantwoorden en al meteen daarna bleek hoe juist mijn beslissing was geweest. Ik moest op de administratie nog wat papieren tekenen en kon er mijn treinkaartje declareren. Omdat ik een dalurenkaart had, overlegde ik een treinkaartje met korting. Maar dat was gelijk zand in de machine. Want daar had de administratie geen rekening mee gehouden. Men vergoedde alleen gewone treinkaartjes. Toen ik zei dat restitutie van het kortingskaartje voldoende was, wees de beambte me er op dat het onmogelijk was om mij een lager bedrag uit te keren. Ik geloofde mijn oren niet en verliet dus het gebouw met de zegen van de commissie en met winst bovendien!
 
Laten we terugkeren naar de absurditeiten van het leger die Graves in zijn boek beschrijft. In de eerste plaats hangen die sterk samen met de regimentstraditie van het Britse leger. Opgedeeld in regimenten, ieder met een geheel eigen cultuur en territoriale achtergrond, leek het Britse leger te zijn opgebouwd uit ‘stammen’ die met elkaar wedijverden om de hoogste eer en glorie. In de krijgshistorie en het prestige van het regiment telden de heroïsche daden als pluspunten en voor onnodige verliezen en lafhartige daden kreeg het regiment puntenaftrek. De prestigestrijd tussen regimenten blijkt zelfs een zeer belangrijke motivatie te zijn geweest voor de Britse militairen. Graves stelt dat regimentstrots een belangrijkere reden was om te vechten dan vaderlandsliefde of godsdienst (p.190).
 
Ontering van het regiment, op welke wijze dan ook, werd als een ernstig vergrijp opgevat. Zo vertelt Graves de volgende anekdote over de geit-majoor van het regiment Royal Welch Fusiliers. Deze korporaal, die de taak had zorg te dragen voor de regimentsgeit, een geschenk van Zijne Majesteit, werd aanvankelijk beschuldigd van majesteitsschennis. Hij werd uiteindelijk gedegradeerd tot gewoon soldaat en werd ontheven uit zijn functie. Wat had de korporaal gedaan? Hij had de geit geprostitueerd door haar tegen betaling als dekgeit beschikbaar te stellen aan een locale geitenfokker. Hij had het gedaan uit consideratie voor de geit want hij hield veel van het dier, zo had hij de kolonel toevertrouwd. De kolonel had daar echter geen enkele boodschap aan en legde hem zijn straf op (p.83).
 
Een grappig voorval natuurlijk, maar ook quite absurd. Al evenzeer buiten proportie zijn de volgende anekdotes over de handhaving van de krijgstucht. De bataljonscommandant kolonel Ford laat op een dag al zijn officieren en onderofficieren aantreden. Hij veegt hen de mantel uit vanwege de tanende discipline. De aanleiding van zijn woedeaanval was een soldaat die een korporaal bij zijn voornaam had aangesproken. De korporaal werd daarop onder arrest gesteld en werd gedegradeerd. De soldaat kreeg een veldstraf wegens krijgstucht ondermijnende taal (p.181).
 
Ook Graves zelf wordt gestraft wegens gebrek aan discipline. De plaatsvervangend commandant ‘Donder Op’ luist hem op een dag erin. Graves, die de wacht in de houding had gezet toen Donder Op aan kwam lopen, liet de wacht na een halve minuut weer inrukken omdat hij dacht dat Donder Op het hoofdkwartier binnen was gegaan. Maar Donder Op had zich expres in het portiek verstopt. Graves krijgt op zijn flikker en moet als straf een maand lang elke dag een uur oefenen in het salueren onder toezicht van een sergeant (p.138).
 
De manschappen worden dusdanig gedrild in discipline en gevechtshandelingen dat ze zelfs in het gevecht zich soms gedragen alsof ze aan het trainen zijn. “Een overlevende van de gevechten vertelde me later dat hij had gezien hoe een jonge soldaat van het Veertiende Bataljon Royal Welch een Duitser in exercitiestijl aan zijn bajonet reeg terwijl hij automatisch uitriep: “In, uit, houding!’ “(p.213).
 
Dit was nog de ouderwetse, beschaafde benadering om van soldaten geoliede vechtmachines te maken, maar die voldeed niet meer in deze uitputtingsoorlog. Daarom stapte de legerleiding over op een nieuwe benadering bij het oefenen met de bajonet: “ ‘Neem hem te grazen! Steek hem in zijn pens! Scheur zijn darmen eruit!’ schreeuwden ze terwijl de soldaten de poppen aanvielen. ‘En nou die opwaartse stoot in het kruis met de kolf. Ruïneer zijn huwelijksuitzet! Geen kleine Fritzjes meer!...Nee, man! Je zou haast denken dat je verliefd bent op die vuile smeerlap zoals je hem staat te aaien! BIJT HEM, ZEG IK JE! VLIEG HEM NAAR DE KEEL EN BIJT HEM DE STROT AF! RUK HEM HET HART UIT ZIJN LIJF!”(p.238).
 
Geen wonder dat militairen zo nu en dan over de schreef ging, hoewel Graves de echte oorlogsmisdaden steeds toeschrijft aan buitenlanders. Vooral aan Canadezen en Australiërs. Een voorbeeld. Een Schotse Canadees moet drie Duitsers door de loopgraven wegbrengen en hij is het zat omdat er een van hen hinkt. Hij dacht: “ ‘Ik zal eens een geintje uithalen.’ Ik hield ze met een revolver van die officier onder schot en liet ze hun zakken openhouden zonder zich om te draaien. Toen stopte ik ze alle drie een handgranaat in hun zak, met de pin eruit, en dook achter een traverse. Bang, bang, bang! Dag krijgsgevangenen. Alleen dooie Fritzen zijn goede Fritzen.’ “(p.187).
 
De wreedheden hebben soms een bizar tintje, zoals het volgende verhaal laat zien. Een Algerijnse ordonnans, in dienst van het Franse leger, krijgt steeds wat lekkers te eten van een Engelse kok. Maar op een dag verkassen de Engelsen en zegt de kok tegen de Algerijn dat het is afgelopen met de lekkernijen. De Algerijn wil het niet geloven en om er van af te komen zegt de kok:” ‘Breng me vanavond het hoofd van een Fritz, Johnny. Dan vraag ik de generaal of hij je wat lekkers geeft.’ “(p.188). Die avond keert de Algerijn terug met een bloederig hoofd in een zandzak. Alleen hij heeft pech, want de kok is al vertrokken met zijn eenheid.
 
Niet alle tekenen van beschaving zijn echter totaal verdwenen aan het front. Zo krijgen de Britse troepen na een van de vele mislukte ‘voorstellingen’ van de Duitsers rustig de gelegenheid om hun gewonden uit niemandsland af te voeren. Eveneens na gevechten klimt korporaal Baxter uit de loopgraven om een gewonde soldaat in een bomkrater te verplegen. De Duitsers lossen waarschuwingsschoten, maar wanneer Baxter gewoon doorloopt en zijn bedoeling duidelijk maakt, laten ze hem ongemoeid (p.166).
 
Ook Graves is trouwens een echte gentleman. Op een zeker moment heeft hij een Duitse soldaat in het vizier en kan hem zo doodschieten. Maar de Duitser is net een bad aan het nemen en Graves voelt er niets voor om op een naakte man te schieten. Dus geeft hij het geweer aan zijn sergeant onder het mom dat die beter kan schieten. Graves loopt weg en vervolgen krijgt de sergeant de Duitser te pakken (p.134).
 
Bij vechten als een heer hoort nou niet meteen het gebruik van gifgas. Niettemin wordt het door het ministerie van oorlog en de generale staf ingezet om de impasse aan het front te doorbreken. Maar uit Graves’ memoires komt eigenlijk vooral naar voren dat het gifgas onoordeelkundig werd ingezet en dat het voornamelijk de eigen troepen trof. Sowieso wordt er niet bepaald een gunstig beeld geschetst van de legerleiding. Het beeld dat resteert is van een op roem en eer beluste top, die de troepen zonder al te veel scrupules de dood in joeg op overwegend zinloze missies.
 
De zinloosheid van de hele eerste wereldoorlog is iets dat zeker blijft hangen wanneer je Dat hebben we gehad hebt gelezen. Graves vertelt over Furber, een officier die als de grootste pessimist van Frankrijk werd gezien. Furber sloot een weddenschap af met de adjudant van het regiment dat de loopgraven binnen twee jaar niet meer dan een kilometer zouden zijn verschoven. Hij werd door iedereen uitgelachen, maar hij won uiteindelijk wel de weddenschap (p.120).
 
Slechts weinigen ontsnapten aan de gevolgen van de loopgravenoorlog. De overlevingskansen waren zeer gering. Sommigen pleegden zelfmoord (hetgeen niet werd gerapporteerd). Velen hoopten op wat ‘een makkie’ werd genoemd, d.w.z. een verwonding waardoor ze met verlof naar huis konden. Graves doet verslag van een verhaal van een van zijn soldaten: “Een vent van de Camerons wil een makkie, dolgraag. Hij is het zat, zo ver van huis. Hij steekt zijn hand over de rand en zijn wijsvinger wordt erafgeschoten, en nog twee vingers. Voor mekaar. Hij komt lachend door onze loopgraaf bij de ouwe bottelerie. ‘Zie je dat, jongens?’ zegt hij. ‘Ik ga fijn terug naar Schotland. Is het geen juweeltje?’ Maar op weg naar de verbandplaats vergeet hij te bukken bij de plek waar die ouwe scherpschutter altijd op ligt te loeren. Hij krijgt ook een kogel door zijn hoofd. Fini. Wij lachen, we bestierven het zowat!’”(p.112-113).
 
Maar er viel niet echt veel te lachen in de loopgraven. Veel soldaten kregen na verloop van tijd neurasthenie door hun traumatische ervaringen. Graves vertelt dat na een jaar de meeste soldaten volkomen onbruikbaar waren geworden (p.173). Hij heeft zelf geluk want hij raakt bij een aanval gewond en wordt terug naar Engeland gestuurd. Ook Graves krijgt trouwens last van zijn oorlogstrauma’s en keert mede om die reden niet meer terug aan het front.
 
Graves schrijft tamelijk afstandelijk over zijn ervaringen in de loopgraven. Hij laat de feiten en de anekdotes voor zichzelf spreken. In dit opzicht lijken zijn memoires op die van bijvoorbeeld Paustovskij. Ook hier geen psychologische inzichten of filosofische beschouwingen en al helemaal geen emoties, maar een nuchtere, klinische blik en een journalistieke verteltrant. Graves laat de verschrikkingen en het twijfelachtige nut van de oorlog vooral door de ervaringen en ogen van anderen zien en blijft zo zelf grotendeels buiten schot.
 
Dat lukt hem echter niet meer wanneer Siegfried Sassoon, een bevriende dichter, weigert om terug te keren naar het front. Volgens Graves heeft Sassoon zich in zijn onnozelheid voor het karretje van de pacifisten laten spannen. Graves vreest het ergste voor zijn vriend. Want ondanks Sassoons heldendaden, zou hij niet aan een zware gevangenisstraf, of zelfs executie, kunnen ontsnappen. Graves stelt daarom alles in het werk om dit te voorkomen. Hij spreekt met invloedrijke personen en met de commissieleden die Sassoon moeten beoordelen en hij weet hen wijs te maken dat de oorlogservaringen Sassoon teveel zijn geworden. Graves slaagt in zijn opzet en Sassoon wordt in een kliniek opgenomen.
 
Maar ja, moet Graves nou trots op zichzelf zijn omdat hij Sassoon heeft gered? Of moet hij zichzelf verwijten dat hij zijn vriend onrecht heeft aangedaan door zijn overtuiging niet serieus te nemen en hem onterecht af te schilderen als een getraumatiseerde patiënt, die niet langer in staat is om helder te denken? Dit dilemma brengt Graves wel ter sprake maar het wordt niet echt uitgewerkt. En dat is jammer want juist dit soort dilemma’s zijn interessant en leveren de benodigde spanning op in een autobiografie. Overigens bespreekt Sassoon dit dilemma wel in zijn autobiografie Memoirs of an infantry officer (1937). Hij verwijt Graves enerzijds dat hij (en anderen in het leger) hem niet serieus wilde nemen en dat Graves zich onterecht met zijn privé-zaken bemoeide. Maar anderzijds was hij ook opgelucht dat Graves’ leugen hem voor gevangenisstraf heeft behoed en geeft hij toe dat hij voor zijn vriend hetzelfde zou hebben gedaan.[1]

 
In dit opzicht hinkt Graves in Dat hebben we gehad op twee gedachten. Enerzijds neemt hij nergens expliciet afstand van het militaire regime en de oorlog. Hij is trots op zijn regiment en heeft weinig op met pacifisten en soldaten die niet willen vechten. Anderzijds vertelt hij zonder reserve over de verschrikkingen en absurditeiten van de loopgravenoorlog. Graves vertelt openhartig over de mislukkingen, de lafhartige daden, de zelfmoorden en de oorlogsmisdaden, en alleen al daarmee ondergraaft hij het militarisme.
 
Wat het boek echter vooral toont is de onverenigbare, soms krankzinnige tegenstelling tussen being a gentleman en being a soldier. Graves laat zien dat de oude Britse cultuur van eer en geweten in de ‘moderne’ oorlogsvoering van de eerste wereldoorlog niet meer thuishoort en juist in die oorlog verwordt tot een (zo nu en dan absurd) anachronisme. Het gebruik van gifgas valt nu eenmaal moeilijk te rijmen met being a good sport. Dat hebben we gehad toont dat krampachtig vasthouden aan de oude cultuur, zoals vooral de legerleiding en de officieren deden, regelmatig heeft geleid tot groteske taferelen en nodeloos verlies van levens. In het vernislaagje van de beschaving werden hier de eerste barsten al duidelijk zichtbaar, hoewel pas in de tweede wereldoorlog zou blijken hoe dun dat laagje echt is.
 
De volgende anekdote illustreert precies de absurde mix van beleefdheid, moord en regimentseer. Twee Britse soldaten hadden een hekel aan hun sergeant en daarom besloten ze hem om zeep te helpen. Vervolgens melden ze zich bij de adjudant:“ ‘We komen melden dat het ons erg spijt, adjudant, maar we hebben onze compagniesergeant-majoor doodgeschoten.’ De adjudant zei: ‘Goeie genade, hoe is dat gebeurd?’ ‘Het was een vergissing, adjudant.’ ‘Hoe bedoel je, stomkoppen dat jullie zijn? Dachten jullie soms dat hij een spion was? ‘Nee, adjudant, we dachten dat het onze pelotonssergeant was.’ Dus werden ze allebei door een krijgsraad veroordeeld en door een executiepeloton van hun eigen compagnie voor de muur van een nonnenklooster in Béthune gefusilleerd. Hun laatste woorden waren de strijdkreet van het bataljon: ‘De Welch stoten door!”(111).
 
 


[1]Memoirs of an infantry officer is in het Nederlands vertaald als Memoires van een infanterieofficier en is uitgegeven door uitgeverij IJzer, Utrecht, in 2003. In de laatste pagina’s van het boek beschrijft Sassoon het voorval. Hij heeft het hier over een zekere David Cromlech die hem helpt. Dit pseudoniem gebruikte Sassoon voor zijn vriend Robert Graves.
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat