Tot aan zijn emigratie naar Parijs, in 1933, woonde Walter Benjamin in Berlijn. Als zoon van een joodse antiquair, die zelf door en door Berlijner was, groeide hij op in een van zin voor traditie en stijl doortrokken omgeving.
Benjamin boog zich in zijn herinneringen over het land van zijn jeugd als over een magische oerwereld, waarin alle ervaring nog eerste ervaring is. De Berlijnse herinneringen ontstonden in het begin van de jaren dertig, toen Benjamin intens werkte aan zijn studie over de grondslagen van de veranderde sociale structuren, de nieuwe artistieke opvattingen en de ontwikkeling van de cultuur m relatie tot sociale revolutie en reactie.
Over de jeugdervaringen in dit boek valt al de sombere slagschaduw van het fascisme, dat Benjamin zou achtervolgen tot aan zijn vrijwillige dood in 1940. Hij sprak zelf dan ook van 'een sprookje vol onheilspellende en vertederende miniaturen'.



