< Vorige pagina
Paul Léautaud
Literair dagboek 1893 - 1921
Privé-domein Nr. 20

Jaar van uitgave: 1972   Recensies: niet aanwezig
Uitgever: De Arbeiderspers   Aanbod: 10 keer aangeboden
Vertaling: M. Kockelkoren   Vraag: niet gevraagd
Nawoord: M. Kockelkoren   Verkrijgbaarheid:
  Waardering: -

Tekst achterplat:

Paul Léautaud schreef de eerste regels van zijn Journal Littéraire op 3 november 1893, omstreeks dezelfde tijd als Gide aan het zijne begon en zeer onder de indruk van het autobiografische werk van een toen juist door hem ontdekte Stendhal. De laatste notitie dateert van 17 februari 1956, vijf dagen voor zijn dood: hij heeft het dan over een nieuw, door hem zelf ontworpen dieet dat hem van zijn ingewandsstoornissen af zal helpen en over de kwaliteit van de koffie die men hem in het verzorgingstehuis serveert: volgens hem niet meer dan een soort afwaswater. Deze opmerkingen waarmee hij van het verachte mensdom afscheid neemt zijn tekenend voor de humeurige toon en de zelden in ten hemel opstijgende lyriek of mystiek vervallende inhoud van het Journal. De eufemistische toevoeging Littéraire heeft slechts in zoverre enige betekenis als men rekening houdt met het exclusief literaire van zijn omgeving en interessen en met de veelzeggende uitlating: 'J'ai toujours vécu littérairement.'

'Littérairement', dat wil zeggen: als een 'homme de lettres' oude stijl, die alles beleeft in functie van wat er over te schrijven valt en wiens avonturen bestaan bij de gratie van kaarslicht, ganzeveder en ruitjespapier. Zijn de eerste teksten nog slechts herinneringen, evocaties en fragmenten met het oog op eventueel later te schrijven werken, vanaf, 1903, wanneer er sprake is van een echt dagboek en het schrijven van onder andere Le Petit Ami hem volledig uit de droom heeft geholpen wat zijn vermogens betreft iets uit eigen fantasie op te roepen, zal hij het nachtelijk geschrijf steeds bewuster gaan hanteren als een 'dédoublement', het ophalen van het die dag meegemaakte en het er zich op revancheren, waarover hij opmerkt dat het beschrijven ervan hem intenser genoegen verschaft dan het beleven.

Wanneer hij als redactiesecretaris bij de Mercure de France wordt aangesteld, en als zodanig verkeert in de toonaangevende literaire kringen van zijn tijd, krijgt het journal er een dimensie bij: naast de voortdurende introspectie, de 'monologue intérieur', ziet hij de onvermoede mogelijkheid om als een tweede Saint-Simon of Chamfort het letterkundige volkje om zich heen met behulp van opgevangen anekdotes, geruchten, gerommel in prullenbakken en laden en vooral eigen meedogenloze en uiterst subjectieve observatie te portretteren.

Als zodanig is het journal van onschatbare waarde, al zal men zowel vanwege de goedgelovigheid als de humeurigheid van de auteur de nodige reserve in acht dienen te nemen; toch zal het vooral de tijd trotseren als diachronisch zelfportret: het mogen volgen van een middelmatig maar doordacht en steeds weer herkauwd bestaan, beschreven in een heldere, droge stijl en van dag tot dag verschillende stemming, is niet alleen in hoge mate boeiend, maar ook uiterst aandoenlijk.

Bij zijn dood was het Journal littéraire uitgegroeid tot een vrijwel onhanteerbare massa papier: zijn de eerste fragmenten geschreven op losse blaadjes, in tweeën gevouwen tot een soort schoolschriftjes van vierentwintig pagina's, maar later weer doormidden gesneden om van de lege rechterkanten alsnog gebruik te kunnen maken, later, vooral in de oorlog toen het papier schaars werd, vooral op stukken pakpapier, enveloppen en kruidenierszakken, waarbij hij bovendien de gewoonte had fragmenten die in zijn ogen van enig belang waren, zonder op enige chronologie te letten, aan elkaar te plakken tot stroken van soms anderhalve meter lengte. De publikatie, door Marie Dormoy manmoedig bij de Mercure de France ondernomen, en na de eerste drie delen postuum verschijnend, zwol enigszins onvoorzien aan tot negentien delen van elk gemiddeld vierhonderd pagina's, wat zeker niet alles geweest zal zijn gezien de vraatlust van zijn talrijke katten en honden en het door hem persoonlijk in de tuin opgestookte.

Het onderhavige boekwerk is een keuze uit de eerste drie delen en gaat van 1893 tot 1921. De aanvechtbaarheid die een dergelijke onderneming, ook vanuit het gezichtspunt van de samensteller, met zich meebrengt, heb ik tot een aanvaardbaar peil menen terug te kunnen brengen door een zo objectief mogelijk beeld te geven van de schrijver en te vermijden dat bepaalde aspecten van zijn bezigheden, interessen en obsessies hier een bredere aandacht zouden krijgen dan zij procentueel in het Journal littéraire zelf hebben: van de twaalfhonderd bladzijden van het oorspronkelijke werk heb ik na enig passen en meten een zo getrouw mogelijke verkleining op schaal trachten te geven. Bepaalde fragmenten werden, zonder dat ik telkens de noodzaak zag dit nadrukkelijk aan te geven, enigszins bekort, overigens niet midden in een zin.

Matth. Kockelkoren

Recensie(s):

Nog geen recensies aanwezig

Plaats een recensie
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat