Geschiedenis van de reeks

Lisa Kuitert

Peter Claessens

Martin Ros

Ros & ´t Hart

Interview
Michel van de Waart


Interview Martin Ros
Interview Martin Ros


Interview Peter Claessens
Interview Peter Claessens


In Memoriam Wim Mol

Martin Ros

Martin Ros en Emile Brugman
Privé-Domein 1966-1984 (1984)
 
Fragment uit Ten geleide
 
...
Maarten 't Hart.: Maar laat ik het vraaggesprek nu even overnemen om de werdegang van privé-domein vast te leggen. Je hebt daarover in 1978 hier en daar al iets gezegd en geschreven maar nu precieser: wanneer ben je met privé-domein begonnen en waarom heet de serie zo?
 
Martin Ros: In 1964 begon ik als redacteur op de uitgeverij en zat in een piepklein opkamertje aan de vergammelende Amsterdamse Kerkstraat stapels ingezonden manuscripten door te werken. Daar was heel wat memoriaalwerk onder (…) Joop Veeninga was, tot aan zijn tragische dood in 1966, adjunctdirecteur op de uitgeverij. Hij reikte me de hand in vrolijke leeswoede en bij hem kon ik ook met mijn uit de geschiedenisstudie en journalistiek gegroeide autobiografische interesse terecht. De sleutel kwam via Léautaud. Ik stelde voor deze schrijver toch eens voorzichtig in Nederlandse vertaling te proberen. Ik had toen net tot Joops grote tevredenheid Octave Mirbeau's Dagboek van een kamermeisje vertaald. Veeninga was opgewarmd en voelde wel voor Léautaud. Zijn aarzeling werd voorgoed doorbroken toen ik hem op zekere dag mijn meest kostbare vondst kon reiken: het in twee delen sous le manteau uitgegeven Journal particulier van Paul Léautaud, Editions du Cap, Monte Carlo. Deze uitgeverij noemde zich Domaine privé. Ineens zagen we het: we gingen een reeks privé-domein beginnen met als koploper Léautaud. Ik kreeg daarna nog van Joop voor elkaar dat de eerste titel toch Herinneringen aan mijn roomse jeugd werd omdat ik me meteen hartstochtelijk voornam dat het honderdste deel ooit als besluit van de serie de herinneringen aan mijn eigen rijke roomse jeugd zou worden. Maar daarover heb jij dus met je roer dat nog zesmaal om moet een hekel gehaald.
 
M.'t H.: In het begin was er kennelijk nog geen duidelijke koers in jullie titelkeuze. Ik herinner maar aan werken als Jungle West II van Majbritt Morrison (nummer vier) en aan Koningin van de onderwereld van Zoe Progl (nummer 6). Hoe is de ontwikkeling naar de meer duidelijke koers van de laatste jaren gegaan en heb je nu nog spijt van je verleden met vrouwen als Majbritt en Zoe?
 
M.R.: De koers was aanvankelijk heel duidelijk en heel eenvoudig: een autobiografische reeks zou het zijn met literaire figuren naast volstrekt niet literaire, dus Léautaud en Mary McCarthy naast de onderwereldkoningin en het lichte meisje uit Londen. Ons criterium was dat het altijd een zeer persoonlijk, boeiend en intrigerend verteld levensverhaal moest zijn.
 
Ik vind nog altijd dat we best raak schoten met bijvoorbeeld zo'n volstrekt obscure Victor Alexandrov die met zijn Adder onder adders toch een boek schreef dat het als beeld van de Russische revolutie uithoudt naast Paustovskij. Maar Léautaud reikte ons bij het wassende dilemma literatuur of niet   opnieuw de hand. Van de vrouw die de Erven Léautaud vertegenwoordigde, Marie Dormoy, kregen we een verbouwereerd briefje: we bedoelden natuurlijk het Journal littéraire. We moesten de reeks toch literair houden? Dat Journal particulier volgens haar veel te onfatsoenlijk en daarom door Gallimard buiten het Journal littéraire gehouden   moesten we maar apart uitgeven. We hebben uiteindelijk de hele Léautaud want er is maar één Léautaud: de complete in privé-domein ondergebracht, maar Marie Dormoy had wel gelijk. In de eerste fase van de serie grepen sommige kopers ook kennelijk mis. Liefhebbers van Zoe Progl verkeken zich op Mary McCarthy, die van Léautaud tastten mis op Majbritt.
 
Ik bedoel, het zijn met alle respect tamelijk verschillende interessesferen. Zelf heb ik nu eenmaal een aantal omnivore afwijkingen dus mij moet je niet rekenen.
 
We hadden trouwens in de aanvang nog een heel precieus aardigheidje: de boeken onopengesneden te brengen, op z'n Frans dus. Maar dergelijke bijna bibliofiele chique paste natuurlijk nauwelijks bij Zoe en Majbritt, afgezien van het feit dat nogal wat liefhebbers van de tekst in plaats van een mesje de vingers of schaar hanteerden om open te snijden. Vele tientallen exemplaren kregen we als misexemplaren direct of via de boekverkopers terugbezorgd. We zwenkten toen definitief naar een reeks met een duidelijk en klaar literair gezicht, d.w.z. de meeste autobiografieën komen van figuren die een plaats innemen in de bestaande canon van de literatuur- of cultuurgeschiedenis.
 
Iedereen die daarin geïnteresseerd is kan nu blindelings elke nieuwe privé- domein titel kopen. Die vorming van het uiteindelijke privé-domein gezicht is na de komst van Theo Sontrop als directeur van De Arbeiderspers in 1972 in eenparig versnelde beweging uitgebouwd en versterkt. Een paar jaar later voegde zich redacteur Emile Brugman in het lectoraat voor privé-domein. Dat betekent dat Theo en ik nu weten, dat de zaak voor de volgende honderd delen veilig zit ook als wij tijdelijk of voorgoed naar een wolk verhuizen.
 
Maar spijt van enige titel in mijn voorspel van privé-domein heb ik niet. De boeken zijn thans trouwens gezochte curiosa in antiquariaten dus word ik misschien nog eens rijk van mijn eigen verzameling oud papier in deze. Bovendien dragen ook al deze titels het schitterend uitgevoerde watermerk van de man die zo nadrukkelijk het uiterlijk van de reeks heeft bepaald, van de eerste tot de laatste titel: Kees Kelfkens. Er zijn overigens nog modellen van de sterk afwijkende vormgeving die ons aanvankelijk op de uitgeverij voor ogen stond. But Kelfkens did it, samen dan met onze produktiechef Wim Mol.
 
In dit boek over de hele reeks hebben we de informatie over vroege en uitverkochte titels beperkt gehouden. De opzet is zoveel mogelijk informatie te geven over titels die leverbaar zijn. In het deeltje dat we bij het verschijnen van de vijftigste titel uitgaven - Schrijvers over zichzelf vind de liefhebber uitgebreider informatie over de meeste oudere titels.
 
 
Vernieuwing

Kees Kelfkens

Pers