Geschiedenis van de reeks

Lisa Kuitert

Peter Claessens

Martin Ros

Ros & ´t Hart

Interview
Michel van de Waart


Interview Martin Ros
Interview Martin Ros


Interview Peter Claessens
Interview Peter Claessens


In Memoriam Wim Mol

Maarten ´t Hart & Martin Ros (1984)

TEN GELEIDE
 
In 1978 verscheen het vijftigste deel van privé-domein: De behouden tong van Elias Canetti. Na voltooiing van dit werk liet Canetti weten: 'Ongetwijfeld zal de neiging om met deze autobiografie door te gaan toenemen naar gelang ik meer in het werk vorder. Ik merk nu al en ik ben nog pas aan mijn dertiende levensjaar dat er zich steeds meer aandient. Ik heb het gevoel, dat er een berg voor mij ligt die ik graag van beide kanten wil beklimmen.'
 
Nieuwsgierigheid naar het eigen verleden is een voorname drijfveer in veel autobiografisch werk. Een nieuwsgierigheid die uiteraard gedeeld wordt door de lezer. Paul Léautaud formuleerde het eens zo: 'Ik voor mij houd het meest van herinneringen, intieme dagboeken, brieven en bekentenissen. Als ze helder en waarachtig geschreven zijn, door lui met pit, die een welgevuld leven achter zich hebben, door mensen die weten te observeren en te vertellen en die de kunst van het overdragen in woorden verstaan, ja, dan zijn dat de enige boeken die waard zijn gelezen te worden.'
 
Léautaud schreef intussen zelf een negentien delen tellend dagboek dat in hoge mate beantwoordt aan wat Boudewijn Büch zich in een artikel in Het Parool eens als ander belangrijk bestanddeel van een dagboek wenste: 'Wat zoek je in een dagboek als lezer? Laat ik nu maar eerlijk zijn: de gemeenste roddels, de geniepigste onthullingen en de intiemste details.' Merkwaardig genoeg treedt bij dagboekschrijvers in dit opzicht vaak iets 'dialectisch' aan het licht, wat voor veel ander autobiografisch werk óók geldt. In het uiterst openhartig beschrijven van de waarachtigste werkelijkheid vluchten auteurs juist weg voor aard en gevolgen van die realiteit. In de bekentenis op papier ontvlucht de schrijver de intimiteit met anderen. Byron, man of action bij uitstek, schreef: 'Dit weet ik zeker, dat ik nooit lang in het gezelschap vertoef zelfs van haar die ik liefheb (God weet dit en de duivel waarschijnlijk ook) zonder te snakken naar het gezelschap van mijn lamp en mijn totaal verwarde en overhoop gehaalde bibliotheek.'
 
De autobiografische tekst kan voor de schrijver ook de meest fascinerende manier zijn om na te gaan hoe zijn illusies en ontberingen zich door de tijden hebben ontwikkeld. Julien Green legde dit prachtig vast toen hij zich, tegen de vijftig, boog over zijn vroegste dagboeken als zestienjarige: 'De jongste van ons twee vuurt nu genadeloze vragen op me af. je hebt me bedrogen, je hebt me bestolen. Waar zijn alle dromen die ik je had toevertrouwd? Wat heb je gedaan met alle rijkdom die ik in mijn dwaasheid je in handen heb gegeven? Ik stond voor je in, ik had grote verwachtingen van je. Maar je bent failliet gegaan. Ik had beter kunnen opstappen met alles wat ik toen nog bezat. En wat ie hebt verspild! Ik voel geen bewondering voor ie. Integendeel!'
 
En de oudste antwoordt: 'In jouw prille jeugd leed ik zo onder wat ik ontbeerde, dat ik dood wilde. Nu kan ik alles krijgen waarvan ik droomde maar waar is de tijd dat je twintig was?'
 
Wie als oudere lezer nog dagboeken of brieven uit eigen jeugd bezit en doorbladert zal het grondig met Green eens zijn: welke grote verwachtingen hebben we allen eens gekoesterd en gewekt. Het lezen van deze brieven is dikwijls een zeldzaam ontroerende ervaring. Ons rest een wonderlijke mengeling van schaamte, bevrijding, nostalgie. De spanning, de gevaren, de bedreigingen, de bange en veelbelovende tijdingen van toen kunnen ons niet meer raken of deren. We herbeleven daardoor in het terugzien op eindelijk ontspannen wijze de ware geschiedenis van ons hart.
 
Na lezing en herlezing van de brieven van Flaubert aarzelde ook Flaubert biografe Enid Starkie geen moment deze brieven als geschiedenis van Flauberts hart zijn ware meesterwerk te noemen. De brieven hebben zoals Kees Fens eens stelde Flaubert behoed voor verstening: hij kon zich in de brieven aan alles en vooral aan zichzelf te buiten gaan, zich uitleveren aan tederheden en onbeschaamdheden, in liefde en haat.
 
Herinneringen, dagboeken, brieven: ze maken het leven alsnog overzichtelijk voor ons, ze zetten de gebeurtenissen toch nog in een bezield verband, ze groeperen gedachten en gevoelens, die zich in zo voortdurende willekeur aan ons voltrekken, tot literatuur. Dáármee zullen we moeten proberen dan toch maar de tijd goed te maken of in te halen die we aan het brute, valse, onechte leven buiten de literatuur hebben verspild…
 
MARTIN ROS: Waarom wilde jij graag met het honderdste deel in privé-domein present zijn?
 
MAARTEN 'T HART: Ik had niet speciaal de behoefte om nummer honderd in de reeks te zijn. Wel heb ik er al heel lang naar verlangd om ook met een boek in de reeks te komen omdat ik het zo'n mooie serie vind. En daar fonds auteurs als Brouwers en Komrij mij al waren voorgegaan, leek me dat ik ook maar eens in de reeks vertegenwoordigd moest zijn. Dat idee voor precies nummer honderd is van de uitgeverij afkomstig.
 
M. R.: Waarom die titel: Het roer kan nog zesmaal om?
 
M.'t H.: Om het voorlopige karakter van deze memoires te benadrukken. Ik ben nog niet eens veertig, er kan nog van alles gebeuren. Ik heb, naar ik hoop, nog een heel leven voor me. Ik kan me bijvoorbeeld wel in Zweden gaan vestigen, je weet maar nooit. De titel is ontleend aan wat ik een van de mooiste gedichten vind in het Nederlands, 'Brief van een vriend' van Marsman. Het schijnt dat hij dat gedicht als brief aan J.C. Bloem heeft geschreven.
 
M.R.: Is het niet wat zelfvergrotend om in die reeks te willen schrijven ?
 
M.'t H.: Ach, Brouwers en Komrij zijn ook in de reeks vertegenwoordigd. De een is maar vier jaar ouder, de ander is even oud als ik. Dus waarom ik dan niet? En bovendien relativeert de grote dosis zelfspot die in mijn boek te vinden is het zelfvergrotend karakter van deze onderneming.
 
M. R.: Welke titels van de eerste honderd delen hebben je voorkeur?
 
M.'t H.: Deel een van de serie vond ik al dadelijk een prachtig boek. Ik heb die Herinneringen aan mijn roomse jeugd van Mary McCarthy met grote gretigheid gelezen. En deel vijf was voor mij een openbaring. Sindsdien wachtte ik vol ongeduld op alle andere delen van de autobiografie van Konstantin Paustovskij. Dan natuurlijk de boeken van Canetti, het rebelse boek van Behan, het zeer geestige werk van Brouwers, de fenomenale brieven van Flaubert. Ik zou diens hele Correspondance wel in de reeks willen hebben, als ik die brieven lees zit ik maar in de kantlijn te strepen en hoor je mij regelmatig uitroepen: van harte mee eens, helemaal waar, of: prachtig. Die brieven zijn de meest levendige ontkenning van Flauberts eigen stelling dat een schrijver nooit persoonlijk mag zijn. Zijn brieven vind ik duizendmaal meer de moeite waard dan zijn prozawerk, hoe geniaal het ook mag zijn. Het boek van Gerrit vond ik voortreffelijk, en ook het Getuigenis van Sjostakovitsj   om die nu maar in een adem met Komrij te noemen   heb ik geroerd gelezen.
 
Er zijn natuurlijk ook titels die van mij nu niet direct in de reeks hadden gehoeven. Ik kan bijvoorbeeld nooit zo goed inzien wat er nu te beleven valt aan dat wat zeurderige gemopper van Paul Léautaud, maar oninteressant vind ik zijn dagboek ook weer niet. Het boek van Grosz vond ik erg vervelend, en ook het boek van die Vlaamse schilder, Hynckes geloof ik (hij wordt al niet eens meer genoemd achterin dat boekje over de eerste vijftig delen). Schilders kunnen in het algemeen trouwens toch niet schrijven, behalve uiteraard Van Gogh diens brieven vind ik het absolute hoogtepunt van de Nederlandse literatuur. Maar ja, Van Gogh kon weer niet schilderen dus 't klopt toch. Wat van mij ook niet in de reeks had gehoeven is De last van de wereld van Peter Handke. Die man kan natuurlijk wel heel goed schrijven, maar hij epateert met ongeluk. Hij probeert door weglating en retouchering het hele leven als een soort jammerdal voor te stellen, als één grote verschrikking. Dat hindert me heel erg in De last van de wereld.
 
Dan is er nog, het moet er maar uit juist in zo'n feestelijk boek, een titel waar ik onvoorwaardelijk tegen ben. Dat is Paren, passanten van Botho Strauss. Dat had nooit, maar dan ook nooit in de reeks mogen verschijnen. Zo'n figuur als Strauss deugt absoluut niet. Die komt uit een dwangmatig dogmatisch linkse hoek. Zulke lectuur vind ik even weerzinwekkend als de lectuur van Der Stürmer. Al mijn haren gaan er bij overeind staan. Al wat in mij is verzet zich tegen dit soort intellectuele, modieuze lulkoek. Ik kwam een keer bij Frits Hotz op bezoek en hij zei me: 'Ik heb nou toch een boek toegestuurd gekregen van onze uitgever. Heb je dat ook: Paren, passanten van Botho Strauss? Ik wil het voor geen goud in m'n boekenkast hebben, maar ja, ze sturen het me. Ik kan het toch moeilijk wegdoen, het is een cadeau en als ze hier komen en ze zien het niet, wat dan?'
 
'je kunt het gerust weggooien, Frits,' zei ik, 'dat zullen ze je echt niet kwalijk nemen.'
'Weetje het zeker?' zei hij.
'ja.'
'Goed,' zei hij, 'dan geef ik het wel weg aan iemand die het misschien nog een beetje kan waarderen. Maar ik heb nog nooit zoiets weerzinwekkends gelezen.'
'Daar ben ik het wel duizend keer mee eens,' zei ik.
 
M. R.: Wat ontbreekt er volgens jou in de reeks, spreek maar ronduit, we moeten nog menig zondig jaartje voort.
 
M.'t H.: Nog heel erg veel, vind ik eerlijk gezegd. Als ik die reeks verder mocht maken zou mijn eerste keuze Kriegsgefangen van Theodor Fontane zijn. Dat vind ik zo'n schitterend verslag van een krijgsgevangenschap in Frankrijk. Dat is ook zo'n zeldzaam bemoedigend boek. Zo'n boek zou ik, werd het vertaald, aan iedereen cadeau willen doen. Dan natuurlijk van dezelfde grootmeester de brieven. Die zijn, zoals Thomas Mann terecht schreef, de indrukwekkendste uit de hele wereldliteratuur. Ik zou van Fontane voorts ook Meine Kinderjahre en Von zwanzig bis dreissig opnemen, en verder, nu ja, ook al zijn andere autobiografische geschriften. Dan zou ik onmiddellijk in de reeks opnemen: Wilhelm von Kügelgen, Jugenderinnerungen eines alten Mannes. Al was het maar alleen omwille van het slot waarin wordt verhaald dat de vader van de schrijver wordt vermoord, en hoe hij op die gebeurtenis reageerde. Vlak voor dat slot is er een passage waarin hij vertelt hoe hij verdwaald is en ineens de weg terugvindt. Dat is een gedeelte waar je als lezer bijna niet meer verder kunt.
 
Wat voorts nog ontbreekt, vind ik, is een keuze uit de dagboeken van dominee Kilvert. Niet dat die reverend nu zulke opzienbarende zaken vertelt, maar hij schrijft wel zowat het mooiste Engels dat ik ken en hij geeft zo'n merkwaardig onopgesmukt beeld van het Engeland van de vorige eeuw. Al je voorstellingen over victoriaanse pruderie gaan op de helling als je leest hoe natuurlijk hij schrijft over een naakte vrouw op het strand. Een andere Britse dagboekschrijver die ontbreekt is Lord Byron. Trouwens, die man schreef ook ongelooflijke brieven. Ik vind dat Joseph Conrad in ieder geval met zijn The mirror of the sea in de reeks zou thuishoren en misschien ook met A personal record. Dan wordt naar mijn smaak in de reeks node gemist een deel uit het autobiografische werk van Kiergegaard. Een ruime keus uit zijn dagboeken zou de donkere kanten van zijn persoonlijkheid meer naar voren doen komen. Het allermooist zou zijn om uit zijn dagboeken alles te lichten wat betrekking heeft op Regina Olsen. Dan zou je een geweldig boek krijgen. Het is zo jammer dat ik niet goed Deens ken, anders zou ik het best zelf willen samenstellen en vertalen, gratis en voor niks omdat ik het zo'n aangrijpende geschiedenis vind.
 
Ik mis in privé-domein ook nog een keuze uit de dagboeken van de Portugees Gaspar Melchior de Jovellanos, een groot natuurbeschrijver. Ik ben ook voor vertalingen van de dagboeken van Grillparzer en van August von Platen. In de reeks hoort ook W. N. P. Barbellion thuis met zijn Journal of a disappointed man en Last diary. Het eerste is net in het Nederlands verschenen, had in privé-domein gemoeten! Dan lijkt het me verder iets groots als de brievan van Flannery O'Connor in de reeks zouden verschijnen. Dat was zo'n moedige, geestige, standvastige en vroom katholieke vrouw. Ze leed aan lupus en haar brieven bevatten haar ziektegeschiedenis. Maar met welk een grootheid van geest vertelt ze daar over en over haar geheel nutteloze reis naar Lourdes (het grote wonder van Lourdes, zegt ze, is dat al die zieken maar bij elkaar in één bad zitten en toch van elkaar geen ziekte oplopen).
 
Op het gebied van de muziek ontbreken de interessante memoires van Tsjaikovski. Ook de wellicht wat minder boeiende memoires van Glinka en Rimski Korsakov zouden lijkt mij heel goed in de reeks kunnen passen. En als Sjostakovistj in de reeks zit, waarom dan niet het nuchtere, informatieve boek van Prokovjev over zijn eigen leven?
 
Een keuze uit de brieven van Alban Berg lijkt me interessant en voor de hand ligt ook een zeer, zeer ruime keuze uit de brieven van briefschrijver par excellence Wolfgang Amadeus Mozart. Op het gebied van de muziek valt nog veel te vermelden maar ik begrijp dat zulks niet altijd past in de opzet van de reeks. Tot slot nog enkele uitzonderlijke autobiografische geschriften: de Apologia pro vita sua van Newman, ooit in het Nederlands vertaald maar al lang niet meer verkrijgbaar. Dat is pas een emotioneel boek! Van heel andere maar zeer bijzondere aard zijn de autobiografische boeken van Mark Twain, The innocents abroad, Roughing it, A tramp abroad, Following the equator   verbazend geestig allemaal. Daar is nog de verrukkelijke autobiografie van Trollope. Ik noem The summing up van Somerset Maugham en Ushant van Conrad Aiken. En natuurlijk Father and son van Edmund Gosse. Nu ja, lijkt je dit niet voldoende vooralsnog?
 
M. R.: Welke autobiografie die nog niet bestaat zou er volgens jou geschreven moeten worden en in privé-domein verschijnen?
 
M.'t H.: Ik geloof niet dat ik zo zit te wachten op autobiografieën van nog levende schrijvers. Ik zou enkel heel erg geïnteresseerd zijn in memoires of iets van dien aard van Frits Hotz maar die zal ze wel nooit schrijven. Wel missen we smartelijk memoires en autobiografieën van schrijvers en vooral componisten die al lang dood zijn. Van Dickens had ik graag memoires gehad en van Gotthelf en wat de componisten betreft welhaast van alle groten, van Bach tot Brahms. Maar ja, die mensen componeerden, die schreven niet. En verder, nu ja, ben ik benieuwd naar de herinneringen aan jouw roomse jeugd. Het gerucht gaat dat dit de tweehonderdste titel wordt, mag het ietsje eerder? Maar laat ik het vraaggesprek nu even overnemen om de werdegang van privé-domein vast te leggen. Je hebt daarover in 1978 hier en daar al iets gezegd en geschreven maar nu precieser: wanneer ben je met privé-domein begonnen en waarom heet de serie zo?
 
M. R.: In 1964 begon ik als redacteur op de uitgeverij en zat in een piepklein opkamertje aan de vergammelende Amsterdamse Kerkstraat stapels ingezonden manuscripten door te werken. Daar was heel wat memoriaalwerk onder. Zo werd het voor mij toch nog een paradijs in de schemer: de memoires van taxi chauffeurs, glazenwassers, weggelopen priesters, oplichters eerlijk als goud, offerbloklichters, voormalige strijders in het vreemdelingenlegioen, deelnemers aan politionele acties, voormalige lijfwachten van Mussert etc., en eenmaal zelfs het manuscript van een vrouw wier beroep ik al lang uitgestorven waande. Zij was boerzwerfster. Zij werkte nog in het Noorden des lands, trok van boerderij naar boerderij waar haar in ongeregeld dienstverband voeding, kleding en dekking werden verschaft. Een klusjesvrouw dus. Uit dit soort bizarre geschriften hebben we eenmaal nog een heuse bestseller gelicht: Wie geeft me jatmous, herinneringen van een Amsterdamse taxichauffeur. Dat manuscript begon met het direct overtuigende zinnetje: 'Amsterdam, ik ga je beschrijven.' Maar aan de meeste manuscripten was helaas geen eer te behalen. Schrijven is moeilijk al lijkt het zo makkelijk en voor de handliggend want iedereen schrijft wel eens een brief en iedereen waant het tumult van zijn eigen leven een roman waard. De NRC/Handelsblad heeft eens geprobeerd uit een hoeveelheid dergelijke ingezonden manuscripten de meest homogene en fascinerende fragmenten te lichten maar ook daar zat bij elkaar toch geen boek in, wel een bijlage.
 
Joop Veeninga was, tot aan zijn tragische dood in 1966, adjunctdirecteur op de uitgeverij. Hij reikte me de hand in vrolijke leeswoede en bij hem kon ik ook met mijn uit de geschiedenisstudie en journalistiek gegroeide autobiografische interesse terecht. De sleutel kwam via Léautaud. Ik stelde voor deze schrijver toch eens voorzichtig in Nederlandse vertaling te proberen. Ik had toen net tot Joops grote tevredenheid Octave Mirbeau's Dagboek van een kamermeisje vertaald. Veeninga was opgewarmd en voelde wel voor Léautaud. Zijn aarzeling werd voorgoed doorbroken toen ik hem op zekere dag mijn meest kostbare vondst kon reiken: het in twee delen sous le manteau uitgegeven Journal particulier van Paul Léautaud, Editions du Cap, Monte Carlo. Deze uitgeverij noemde zich Domaine privé. Ineens zagen we het: we gingen een reeks privé-domein beginnen met als koploper Léautaud. Ik kreeg daarna nog van Joop voor elkaar dat de eerste titel toch Herinneringen aan mijn roomse jeugd werd omdat ik me meteen hartstochtelijk voornam dat het honderdste deel ooit als besluit van de serie de herinneringen aan mijn eigen rijke roomse jeugd zou worden. Maar daarover heb jij dus met je roer dat nog zesmaal om moet een hekel gehaald.
 
M.'t H.: In het begin was er kennelijk nog geen duidelijke koers in jullie titelkeuze. Ik herinner maar aan werken als Jungle West II van Majbritt Morrison (nummer vier) en aan Koningin van de onderwereld van Zoe Progl (nummer 6). Hoe is de ontwikkeling naar de meer duidelijke koers van de laatste jaren gegaan en heb je nu nog spijt van je verleden met vrouwen als Majbritt en Zoe?
 
M.R.: De koers was aanvankelijk heel duidelijk en heel eenvoudig: een autobiografische reeks zou het zijn met literaire figuren naast volstrekt niet literaire, dus Léautaud en Mary McCarthy naast de onderwereldkoningin en het lichte meisje uit Londen. Ons criterium was dat het altijd een zeer persoonlijk, boeiend en intrigerend verteld levensverhaal moest zijn.
 
Ik vind nog altijd dat we best raak schoten met bijvoorbeeld zo'n volstrekt obscure Victor Alexandrov die met zijn Adder onder adders toch een boek schreef dat het als beeld van de Russische revolutie uithoudt naast Paustovskij. Maar Léautaud reikte ons bij het wassende dilemma literatuur of niet   opnieuw de hand. Van de vrouw die de Erven Léautaud vertegenwoordigde, Marie Dormoy, kregen we een verbouwereerd briefje: we bedoelden natuurlijk het Journal littéraire. We moesten de reeks toch literair houden? Dat Journal particulier volgens haar veel te onfatsoenlijk en daarom door Gallimard buiten het Journal littéraire gehouden   moesten we maar apart uitgeven. We hebben uiteindelijk de hele Léautaud want er is maar één Léautaud: de complete in privé-domein ondergebracht, maar Marie Dormoy had wel gelijk. In de eerste fase van de serie grepen sommige kopers ook kennelijk mis. Liefhebbers van Zoe Progl verkeken zich op Mary McCarthy, die van Léautaud tastten mis op Majbritt.
 
Ik bedoel, het zijn met alle respect tamelijk verschillende interessesferen. Zelf heb ik nu eenmaal een aantal omnivore afwijkingen dus mij moet je niet rekenen.
 
We hadden trouwens in de aanvang nog een heel precieus aardigheidje: de boeken onopengesneden te brengen, op z'n Frans dus. Maar dergelijke bijna bibliofiele chique paste natuurlijk nauwelijks bij Zoe en Majbritt, afgezien van het feit dat nogal wat liefhebbers van de tekst in plaats van een mesje de vingers of schaar hanteerden om open te snijden. Vele tientallen exemplaren kregen we als misexemplaren direct of via de boekverkopers terugbezorgd. We zwenkten toen definitief naar een reeks met een duidelijk en klaar literair gezicht, d.w.z. de meeste autobiografieën komen van figuren die een plaats innemen in de bestaande canon van de literatuur- of cultuurgeschiedenis. Iedereen die daarin geïnteresseerd is kan nu blindelings elke nieuwe privé-domein titel kopen. Die vorming van het uiteindelijke privé-domein gezicht is na de komst van Theo Sontrop als directeur van De Arbeiderspers in 1972 in eenparig versnelde beweging uitgebouwd en versterkt. Een paar jaar later voegde zich redacteur Emile Brugman in het lectoraat voor privé-domein. Dat betekent dat Theo en ik nu weten, dat de zaak voor de volgende honderd delen veilig zit ook als wij tijdelijk of voorgoed naar een wolk verhuizen. Maar spijt van enige titel in mijn voorspel van privé-domein heb ik niet. De boeken zijn thans trouwens gezochte curiosa in antiquariaten dus word ik misschien nog eens rijk van mijn eigen verzameling oud papier in deze. Bovendien dragen ook al deze titels het schitterend uitgevoerde watermerk van de man die zo nadrukkelijk het uiterlijk van de reeks heeft bepaald, van de eerste tot de laatste titel: Kees Kelfkens. Er zijn overigens nog modellen van de sterk afwijkende vormgeving die ons aanvankelijk op de uitgeverij voor ogen stond. But Kelfkens did it, samen dan met onze produktiechef Wim Mol.
 
In dit boek over de hele reeks hebben we de informatie over vroege en uitverkochte titels beperkt gehouden. De opzet is zoveel mogelijk informatie te geven over titels die leverbaar zijn. In het deeltje dat we bij het verschijnen van de vijftigste titel uitgaven - Schrijvers over zichzelf vind de liefhebber uitgebreider informatie over de meeste oudere titels.
 
M.'t H.: Welke autobiografieën die nooit geschreven zijn had je graag in de reeks willen opnemen en zijn er ook mensen aan wie je graag een opdracht zou willen geven tot het schrijven van een autobiografie ?
 
M. R.: Ach, ik doe maar een relatief willekeurige greep: de herinneringen van Dostojevski, van Proust, vanjoyce, van Du Perron, van Sneevliet, de dagboeken van Kloos, Octave Mirbeau, Paulhan, Zola, Jean Paul en Adriaan Roland Holst. En natuurlijk de memoires van Thomas Mann en de herinneringen van Busket Huet. Opdrachten zou ik graag zien gaan naar Harry Mulisch, Henk Hofland, J. M. den Uyl, Hans van Straten, Arthur Lehning, Karel van het Reve. En zou er geen geheimzinnig dagboek gevonden kunnen worden van Theo Sontrop?
 
M.'t H.: Welke bestaande autobiografische teksten zitten helaas voor jou niet in privé-domein maar in andere fondsen en zouden die dan niet moeten worden ingeleverd bij de A P ten behoeve van privé-domein?
 
M. R.: Om met het laatste te beginnen: dat gebeurt al geregeld. Bert Bakker bijvoorbeeld stond Graham Greene en Annie Salomons voor ons af. Johan Polak deed hetzelfde met het autobiografische werk van Canetti. Andersom, ja, we hadden natuurlijk iets moeten hebben van Kafka, van Nabokov, en Cellini, Pavese, Lubberhuizen hadden in privé-domein gepast. Dat de serie toch toont waar een klein land sterk in kan zijn, zodat we een unieke wereldreeks bezitten, is een gevolg van het feit dat in Duitsland, Frankrijk, Engeland, Amerika zo'n gemêleerde opbouw gewoon niet kan. Fischer zou de dagboeken van Thomas Mann nooit afstaan aan Suhrkamp als die een privé-domein reeks zou beginnen en omgekeerd geeft Suhrkamp Handke nooit aan Fischer als die ' m zou willen. Het accent op de vertaalsector is in dit geval ons voordeel gebleken.
 
M.'t H.: Wat zijn de verdere plannen en zou het ook geen idee zijn autobiografische romans op te nemen?
 
M. R.: Wat die autobiografische romans betreft, ik denk dat het dan betrekkelijk oeverloos wordt. Alle romans van Jeroen Brouwers zouden er dan in moeten en een deel van jouw romanoeuvre en de Anton Wachterromans van Vestdijk. Er zitten al grensgevallen aan de autobiografische roman in de reeks trouwens, denk maar aan Le petit ami en Amours van Léautaud.
 
M.'t H.: Maar je hebt toch zelf ook after all those years nog speciale wensdromen?
 
M. R.: Natuurlijk, en die zullen wel, voor ik te oud, ziek en dom ben om,er nog van te kunnen genieten, niet allemaal gerealiseerd worden: de tafelgesprekken van Luther, de herinneringen van Rousseau, het dagboek van Hebbel, Boswell Samuel johnson, de memoires van Von Bülow, Bismarck en Raymond Aron en het dagboek   zoals je weet het omvangrijkste uit de wereldliteratuur¬ van die aandoenlijkste aller solipsisten Amiel, de brieven van Kleist, het dagboek van Benjamin Constant, de dagboeken van Hans van Straten. Boven alles uit torent voor mij de wensdroom van mijn laatste dagen: de Memoires d'outre-tombe, Herinneringen voorbij het graf, van Chateaubriand. Chateaubriand weet alle grote en kleine gebeurtenissen uit zijn leven direct in relatie te brengen tot de grote politieke, sociale, literaire evenementen van zijn tijd. Bij elke scher¬pe wending in zijn leven onderneemt ook de aardas een scherpe wending. De dingen gebeuren omdat ze gebeuren met Chateaubriand. Tussen zijn gedenkwaardige geboortejaar   1868, een jaar vóór Napoleon   en zijn sterfjaar   1848, het revolutiejaar van de lente der volken   tolt de wereld, als een krachtenveld van Chateaubriand, om zijn woorden, daden en denken. Herinneringen, brieven, dagboek, pamflet, diplomatieke stukken, gesprekken, exclamaties, essays en verzinsels maken van deze autobiografie een werelddagboek dat nooit meer is herhaald en nooit meer zal kunnen worden overtroffen. 'We zijn,' schreef Julien Gracq terecht, 'alles aan hem verschuldigd.' De verzinsels   de ontmoeting en het gesprek met Washington in Amerika; dat alle vrouwen in Parijs zijn Genie du christianisme in één ruk uitlazen en hem zo in één nacht beroemd maakten etc. horen bij Chateaubriands mythologie en maken zijn memoires alleen maar intenser en waarachtiger. De meeste minnaressen uit zijn leven werden gebruikt om opgenomen te worden in de literaire zelfvergroting waaraan Chateaubriand zijn leven lang werkte. Geen vrouw heeft hem echter ooit vervloekt of verwenst, hij verwoestte hun leven soms maar heeft het op onvergelijkelijke wijze veraangenaamd. Deze liberale conservatief en conservatieve liberaal schreef een gedragen, literaire, retorische stijl en toch is die stijl zó menselijk en direct dat de lezer het gevoel heeft speciaal toegesproken te worden door een verwante vriend. Het boek is romantisch én ironisch, de toon vol zelfspot en zelfvergroting.
 
Chateaubriand heeft de gebeurtenissen van zijn leven eerst gemaakt en daarna in dit boek ondertekend. Napoleon bekende over hem: 'Vivant il a manqué le monde, mort il l'a possédé.' Hij is in de Memoires d'outre tombe de meest complete autobiograaf uit de wereldliteratuur.
 
Vernieuwing

Kees Kelfkens

Pers