Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 19
Auteur(s): Giacomo Casanova
Titel: Memoires
Venitiaanse jaren 1753 - 1756
Recensent: Michael Zeeman
Bron: De Volkskrant
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 25-1-2007
Waardering: geen waardering bekend


Memoires integraal vertaald in twaalf delen
Tweehonderd jaar na de dood van Casanova verschijnt het laatste deel van zijn herinneringen in een vertaling die getrouw en verantwoord mag heten. Feilloos treft vertaler Theo Kars de licht praatzieke toon van Casanova en diens mengeling van gezelligheid en discipline. Anders dan Don Giovanni hield de Seigneur de Seingalt geen catalogus bij. door Michaël Zeeman

JA: HIJ IS openhartig, en ja: hij heeft 'het' veel gedaan, heel veel, en met, inderdaad, talrijke vrouwen, meestal achter elkaar, in een variant die eeuwen na hem 'seriële monogamie' is gaan heten, soms met enkele tegelijk of tegelijkertijd - laten we dat, om in de stijl van onze eigen therapeutische hypocrisie te blijven, dan ook maar 'acute' of 'analoge polygamie' noemen. De verleiding is groot hier maar eens te beginnen met het oprakelen van de onwaarschijnlijker affaires - het geëikel met de castraat die er geen was in deel twee, het avontuur met de non uit Chambéry in deel zes en zeven, hoe dan ook het geflikflooi met dames die de gelofte van kuisheid hebben afgelegd, de vrolijke amourette met moeder en dochter in een hotelbed.

Maar dat is een burgermansverleiding, of in ieder geval het sentiment van de benauwde brave borst die zijn eigen onvermogen, gebrek aan fantasie en moed liefst compenseert door de sterke staaltjes na te vertellen die Casanova opdist en die hij misschien met recht, misschien uit eenzelfde neiging tot opschepperij op zijn naam heeft weten te brengen. Want Jacques of Giacomo Casanova, Chevalier de Seingalt, doet in de twaalf delen van zijn memoires, zijn Histoire de ma vie, zijn reputatie bij allen die hem nooit lazen maar toch menen te kennen, alle eer aan. Een man die onmiskenbaar van vrouwen houdt - van hun geur, van hun vormen, van de aanraking van hun huid, van hun stem, van hun lachen, van hun gezelschap.

En daar wringt het meteen, daar scheiden de wegen van persoon en beeld, van karakter en reputatie.

Want, ja, hij houdt van ze, wat iets totaal anders is dan zeggen: ja, hij houdt 'er' van. Wie anders zou zo vol vertedering kunnen schrijven over een behaarde wrat in een vrouwengezicht en zich aan de hand van zijn ingenomenheid daarmee zo kunnen opwerken? Esther, zijn Hollandse minnares, 'had midden in het kuiltje aan haar kin een bekoorlijk zwart vlekje. Het was heel klein, maar stak iets uit en was getooid met vier, vijf fijne, korte zwarte haartjes. Dit vlekje, dat wij Italianen neo noemen, vormde een extra bekoring in haar knappe gezicht.

'Aangezien ik wist dat dergelijke vlekken op iemands gezicht, hals, handen of armen eveneens aanwezig zijn op het lichaamsdeel dat overeenkomt met dat wat men ziet, was ik er zeker van dat Esther op een plaats die zij als fatsoenlijk meisje nooit iemand had getoond, een vlekje moest hebben dat volkomen identiek was aan dat op haar kin. Het was zelfs mogelijk dat zij zelf niet wist dat zij dit plekje had.'

Vertedering, ontroering, moeiteloos overlopend in verliefdheid, in de lofzang der liefde. Hij kijkt, raakt bevangen, en put zich uit in bewoordingen. Het is alsof zijn liefde voor wat hij ziet pas goed tot zijn recht komt als hij beschrijven gaat - en het beschrijven wordt schrijven, wordt bezingen. De verbeelding gaat aan de haal met het minimaal zichtbare.

Op het moment dat je probeert de wortel te trekken uit al die petites histoires die samen de geschiedenis van zijn leven uitmaken, en uitkomt op 'een man die van vrouwen houdt', ontsnapt Casanova aan het cliché dat van hem bestaat, aan dat beeld dat bijvoorbeeld Federico Fellini in zijn Casanova-film van hem heeft geschapen. Hij houdt echt en oprecht veel van ze; het opportunisme dat aan zijn reputatie kleeft, is eerder een grenzeloze naïveteit, een onlesbare hunkering, een niet in te lossen verlangen, dan de behoefte te presteren, lijstjes van veroveringen aan te leggen en daar prat op te gaan. Die lijstjes, immers, zijn pas aangelegd door zijn latere lezers, door de naijverige burgermannetjes. Anders dan Don Giovanni houdt de Seigneur de Seingalt geen catalogus bij.

Het gaat hem om de droom, de dagdroom die speelt met de herinnering, om de gebeurtenis ingebed in het geheel van gebeurtenissen, de daad als onderdeel van een patroon van reizen en trekken, souperen en lunchen, zoveel mogelijk galante kleren aantrekken juist om het uittrekken ervan luisterrijk te kunnen maken.

Casanova's Histoire de ma vie is daardoor bovenal een boek, en wel het boek van een schrijver - een man met literaire ambities. Daardoor zijn zijn geschiedenissen met vrouwen al bijna vanzelfsprekend lofliederen op die vrouwen, eerbetonen van een haast middeleeuwse, zij het dan ook niet zo hoofs abstinente, ridderlijkheid.

Nooit eerder hebben Nederlandse lezers de kans gehad de volledig gedocumenteerde, historisch correcte diagnose van Casanova's eigen casanovisme te stellen. Nu, in het tweehonderdste jaar na zijn dood, verschijnt het twaalfde en laatste deel in de vertaling van de integrale, tekstkritische uitgave van zijn werk. Dat is een project waaraan de vertaler, Theo Kars, in zekere zin 27 jaar geleden begonnen is: toen verscheen zijn versie van wat nu het vierde deel in de reeks is, De ontsnapping, als een zelfstandig deeltje in de serie Privé-domein, onder de titel Memoires - Venetiaanse jaren 1753-1756. Pas vanaf het begin van de jaren negentig is Kars er systematisch aan gaan werken: in 1991 verscheen De school van het leven en vandaag wordt deel twaalf, Geheim agent, gepresenteerd.

Afgezien van een enkele enigszins overdreven en daardoor een onserieuze indruk makende voetnoot - 'apotheose: verheffing tot God', en dat in dit boek - is dat een voorbeeldige onderneming geworden: Theo Kars heeft van Casanova's herinneringen in het Nederlands zowel een getrouwe en dus verantwoorde editie weten te maken, als een hoogst leesbare, lenig, soepel en vloeiend van stijl, feilloos in het treffen van de licht praatzieke toon van Casanova, die mengeling van gezelligheid en discipline, van een hang naar eruditie en een genoegen in trivialiteiten die de lectuur van Casanova's herinneringen tot zo'n groot genoegen maken.

Dat 'getrouw en verantwoord' is nog geen kleinigheid: de Franse uitgave in de beroemde serie klassieke teksten Pléiade, bijvoorbeeld, volgt nog steeds de editie van 'Laforgue', uit de jaren 1826-1838, die zichzelf op het titelblad weliswaar stoer en licht intimiderend aankondigt als 'collationnée sur l'édition de Leipsick', maar ondertussen gebaseerd is op een gekuiste versie en zelf opnieuw de regels der welvoeglijkheid toepast. Pas in 1960 verscheen er een ongecensureerde, naar het oorspronkelijke handschrift van Casanova vervaardigde uitgave van, bij Brockhaus in Duitsland - en die editie is pas sinds 1993 ook in Frankrijk verkrijgbaar.

Kars baseert zich op die definitieve uitgave, en daarmee ligt de Nederlandse lezer niet eens zo gek veel achter op de Franse. Dat Casanova's memoires het eerst in Duitsland zijn verschenen, komt doordat Casanova's neef, Carlo Angiolini, zijn oom op zijn sterfbed heeft verzorgd en zich na diens dood over het manuscript heeft ontfermd. Zijn familie was het die het in 1820 verkocht aan de uitgever Brockhaus - in Leipzig. Hoe het daar in 1945 ontsnapte aan het oorlogsgeweld en vervolgens aan de Russische bezetting doordat het op het laatste moment naar Wiesbaden werd gesmokkeld, is weer een ander verhaal.

VERHALEN te over bij Casanova: de zijne en die over de gang van zijn boek. Het zijn die verhalen die hem zijn reputatie hebben bezorgd, maar wie de moeite neemt een aantal delen van zijn herinneringen achter elkaar te lezen, stelt vast hoe oneerlijk die reputatie in zijn platste variant is. Venetië, Rome, Parijs, Wenen, Praag, St.-Petersburg, Berlijn, Londen, Napels, Constantinopel, Keulen, Amsterdam, Stuttgart, München, Zürich, Genève, Bern, Basel, Wenen, andermaal Parijs, Madrid: hij heeft een halve eeuw kriskras door Europa gereisd en overal zijn sporen getrokken.

Zijn belangrijkste gebrek is hooguit zijn grote voorkeur voor gezelschap geweest, vooral galant gezelschap en dat bestaat nu eenmaal bij de gratie van de aanwezige dames, en zijn tweede gebrek is zijn levendige geheugen. Zowel zijn hang naar gezelligheid als zijn rijke en krachtige verbeeldingswereld moet hij gepaard hebben aan een robuuste gezondheid, want de energie waarmee hij zich door het achttiende-eeuwse Europa heeft bewogen, is nauwelijks te begrijpen.

Er is vanaf het verschijnen van zijn memoires veel werk gemaakt van het afdingen op wat hij schrijft, op de avonturen die hij zegt te hebben beleefd - en dat zijn heus niet uitsluitend, zelfs niet overwegend erotische avonturen, ook al worden al zijn reizen en verblijven opgeluisterd door het gezelschap van leuke vrouwen. Maar het aardige bij het achter elkaar lezen van die herinneringen is nu juist dat die historische precisie er niet zoveel toedoet. Juist in de bijzinnen, in de tussenzinnen, in de terloopse mededelingen die hij doet over de omstandigheden waaronder hij reist, vrijt en werkt, zitten de verrassingen. Daarin zitten de beschrijvingen van een alledaagse werkelijkheid die Casanova's herinneringen eenzelfde vermogen geven de geur en kleur van een tijd op te roepen als bijvoorbeeld de dagboeken van Samuel Pepys, van een eeuw eerder.

Hij doet het met allure en zijn rusteloosheid is een uitkomst. Die heeft hem veel meer gebracht dan op grond van zijn doopceel verwacht had kunnen worden. 'Nu het 1797 is', schrijft Casanova in het voorwoord van zijn memoires, 'en ik 72 jaar ben, een leeftijd waarop ik kan zeggen vixi - ik heb geleefd - hoewel ik nog ademhaal, kan ik geen plezieriger tijdverdrijf bedenken dan met mijzelf over mijn eigen wederwaardigheden van gedachten te wisselen, en mijn welopgevoed gehoor stof tot vermaak te bieden. (. . .) Om goed te kunnen schrijven hoef ik mij alleen maar voor te houden dat deze mensen mij zullen lezen.'

Zijn vader, vertelt hij even later in het eerste hoofdstuk, Gaetano Guiseppe Giacomo Casanova, 'verliet zijn ouderlijk huis omdat hij onder de bekoring was gekomen van een toneelspeelster'. Hij werd zo verliefd op haar dat hij besloot zelf ook acteur te worden. Van het meisje werd toen al gauw niets meer vernomen, en Casanova sr. vertrok naar Venetië, speelde er in het Teatro San Samuele en schaakte de dochter van de schoenmaker - die op haar beurt ook weer aan het toneel raakte.

Casanova groeide op bij zijn Venetiaanse grootouders, maar wel in het besef van de bezigheden van zijn ouders. Wie eenmaal tot zich laat doordringen hoe alletwee zijn ouders werkelijkheid en theater door elkaar hadden gehusseld en uit een betoverde verbeelding de stap over het voetlicht hadden gemaakt, acteur waren geworden omdat ze verliefd waren op een acteur, kan zich zelfs bij een minimale opvatting over de erfelijkheid niet aan een haast deterministische karakterschets van Giacomo Casanova onttrekken: toneelspeler, inderdaad, iemand die zich bij voorkeur verplaatst in een ander.

Het plaatst zijn voorkeur voor mooie kleren en verkleedpartijen, twaalf delen lang, voor het zich ophouden in milieus waarin hij in feite helemaal niet thuishoort maar zich verbluffend goed weet te bewegen, in een aangenaam bevestigend perspectief.

'DE WAARHEID is deze', zegt hij tegen de mooie Teresa, een van de vroegste veroveringen uit zijn loopbaan. 'Je neemt aan dat ik rijk ben; dat is niet het geval. Als ik mijn beurs heb geleegd, bezit ik niets meer. Je neemt misschien aan dat ik van hoge geboorte ben, maar ik behoor tot een klasse die óf lager is dan de jouwe, óf gelijk daaraan. Ik heb geen enkel talent dat geld oplevert, geen beroep, geen reden om aan te nemen dat ik over enkele maanden iets te eten zal hebben. Ik heb geen ouders, geen vrienden, geen recht dat ik kan laten gelden, en beschik over geen enkel vast plan. Kortom, alles wat ik bezit is jeugd, gezondheid, moed, een zekere mate van intelligentie, gevoel voor eer en fatsoen en het allereerste begin van een literaire carrière. Mijn grote rijkdom is dat ik mijn eigen meester ben, van niemand afhankelijk, en niet bang voor tegenslagen. Het ligt in mijn aard gemakkelijk geld uit te geven. Hiermee heb je mijn portret.'

Zo'n zelfportret schildert hij nog een aantal keren; het is soms alsof hij het doet om zichzelf rekenschap te geven van wat hem is overkomen, van zijn wonderlijke positie in de wereld. Hij reist en trekt, hij dost zich uit als theologisch student of als een hoge officier, als grand seigneur, als non desnoods, en in iedere denkbare vermomming voelt hij zich op zijn gemak. Hij duikt op in scènes, in bedrijven - hij wisselt, anders gezegd, met groot gemak van identiteit.

Het is het gemak van de acteur die per stuk een andere rol aanneemt - het is, voor wie het groot wil zien, de behoefte van de bewoner van de late twintigste-eeuw, die bij voorkeur wil kunnen wisselen van identiteit. Misschien verklaart dat zijn allengs toenemende populariteit in onze dagen: een bereikbare editie van de definitieve Franse uitgave, een definitieve Nederlandse, een tentoonstelling over hem die eerder deze maand in Venetië werd geopend, een aanstekelijke studie van hem van de Française Lydia Flem, met de alleszins rechtmatige titel Casanova, ou l'exercice du bonheur, een reeks instemmende bespiegelingen over hem van de Franse schrijver en filosoof Philippe Sollers, Casanova l'admirable.

Hij was een gokker, een liefhebber van eigenaardige en uit de mode geraakte kansspelen. Hij interesseerde zich voor de kabbala en voor de magie. Geen schip of hij dacht aan de haven waar het aan zou komen, geen vrouw of hij verbeeldde zich haar geheimen. Er zit een enorme energie in zijn persoonlijkheid, een onstuitbare nieuwsgierigheid.

Maar het meest op zijn gemak is hij toch als hij over de literatuur kan praten - en misschien was hij wel het gelukkigst toen hij zat te schrijven. Het zou de montere toon verklaren waarop hij schrijft over die enorme stoet van kennissen en vrienden, vijanden en malloten, die hij nog een keer aan zijn geestesoog voorbij laat trekken.

Met de pen op papier: daar was hij zijn leven lang hoegenaamd nog niet aan toegekomen. Eindelijk al zijn energie gewijd aan de muze.

Copyright: de Volkskrant

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat