Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 266
Auteur(s): Atte Jongstra
Titel: Klinkende ikken
Bekentenissen van een zelfontwijker
Recensent: Jaap Goedegebuure
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 27-11-2008
Waardering: geen waardering bekend


Ik is een ander
Trouw, 22 november 2008

Autobiografisch proza doet het goed in Nederland - denk maar aan Connie Palmen. Het 'authentieke' scoort niet alleen in de media, critici hebben dit 'eerlijke' proza ook al vroeg ondersteund, schrijft Jaap Goedegebuure. Maar wie écht eerlijk is, moet bekennen dat in ons allen een hele club 'ikken' huist.

Menno ter Braak en E. du Perron, de twee gezworen kameraden die tijdens de jaren dertig een literair-kritisch schrikbewind uitoefenden, hebben zich nog ver na hun vroegtijdige dood in 1940 als smaakmakers laten gelden. Zo doet de invloed van het duo zich gelden in de letterkundige canon, waarin de reputatie van hun paradepaarden Multatuli, Couperus, Elsschot, Vestdijk en Slauerhoff stevig verankerd is.

Tal van naoorlogse critici, H.A. Gomperts, Aad Nuis en Carel Peeters voorop, droegen decennia lang de fakkel van Du Perron en Ter Braak verder, en daarmee ook hun opvattingen over wat goede literatuur was en wat niet. 'Goed', dat was persoonlijk, direct, eerlijk en onverhuld. Misprijzen ging uit naar de verfraaiing, de maskerade, het spel, alles eigenlijk wat hoort tot het hart van de literaire esthetiek, maar wat genoemde keurmeesters een gruwel was.

Dit personalistische credo heeft ook in de literaire fictie zijn sporen nagelaten, met een vloedgolf aan autobiografisch geïnspireerd proza als resultaat. Auteurs als Gerard Reve en Jan Wolkers, beiden pioniers in het typische jaren zestig-genre van de 'bekentenisroman', en verder J.J.Voskuil, Maarten 't Hart, Adriaan van Dis en Connie Palmen liepen, weliswaar in wisselende mate en zonder dat ze het zich steeds bewust waren, mee in de voetsporen van Du Perron en Ter Braak. Vanaf een zeker moment liepen die sporen parallel met trends als human interest en reality -drama die door de journalistiek en de televisie waren aangezwengeld.

Het is juist tegen dat monsterverbond van de literatuur en de massamedia dat P.F. Thomése zo'n tien jaar geleden in het geweer kwam. In een polemisch essay hekelde hij de Nederlandse schrijvers en uitgevers die betrokken waren in de 'narcistische samenzwering'. Dat complot tegen stijlgevoel, goede smaak en onderscheidingsvermogen zou de weg plaveien voor autobiografische bestsellers en regelrecht leiden naar het moeras van de nivellering.

Groot was het genoegen onder Thomése's tegenstanders toen hij in 2003 met zijn boekje 'Schaduwkind' voor het voetlicht trad. Was dat relaas over de dood van een kind immers ook niet autobiografisch? Werd er niet schaamteloos geappelleerd aan de herkenbaarheid van algemeen menselijke evaringen als verlies en rouw? Hoe had Thomése de onbevangen ik-zegger Connie Palmen durven berispen vanwege haar in memoriam voor Ischa Meijer?

Voor het gemak zag de aanvallende partij over het hoofd dat 'Schaduwkind' een poging was om het verdriet en gemis allereerst in de taal te omcirkelen en zichtbaar te maken. Hoewel niet meer dan een kleine minderheid onder de duizenden lezers er oog voor zal hebben gehad en Thomése zelf het misschien niet eens wil erkennen, komt het procédé er uiteindelijk op neer dat degene die 'ik' zegt al schrijvend een ander wordt, voor zichzelf in de eerste plaats. Treurarbeid in geschrifte brengt de doden niet dichterbij maar zet ze op afstand, een afstand die groter wordt naarmate de schrijver meer distantie neemt tot zichzelf.

'Ik is een ander': de uitdrukking, gemunt door de negentiende-eeuwse dichter Arthur Rimbaud, krijgt een opvallende plaats in Thomése's recente 'Nergensman', dat de even intrigerende als uitdagende ondertitel 'Autobiografieën' draagt. Het meervoud zal allereerst bedoeld zijn om te reageren op bovengenoemde critici, in Thomése's optiek de wegbereiders van de herkenbare levensverhalen die zo goed passen bij de smaak van een publiek dat is geconditioneerd door reality soaps.

Maar er is meer. Thomése heeft in het verleden regelmatig gezinspeeld op de kortsluitingen in het bewustzijn die maken dat men plotseling een vreemde kan worden voor zichzelf. Daarom mag het geen verrassing heten dat hij in 'Nergensman' herhaaldelijk wisselt van persoonlijkheid en identiteit, en bovendien meer dan één autobiografie voor zichzelf opeist. Dat doet hij niet uit behoefte aan vertoon of uit luxe, maar bij gebrek aan het soort zekerheden dat naïever en onbevangener collega's doet geloven in een tamelijk vage notie als 'authenticiteit'.

Met zijn nieuwe boek 'Klinkende ikken' borduurt Atte Jongstra op hetzelfde stramien verder als Thomése. Het meervoud in de titel laat al zien dat de auteur niet gelooft in de Ene Ondeelbare Persoonlijkheid die zichzelf feilloos weet te ontleden. Jongstra vertelt bijvoorbeeld hoe hij zich enige tijd schuilhield in het heteroniem Arno Breekveld, een dichter die net als Gerrit Achterberg in een gesloten inrichting verbleef en dingen durfde opschrijven waartoe hij zelf de moed niet bezat.

Voor dat psychisch pendelen betaalde Jongstra met een flinke identiteitscrisis, een burn-out en een writer's block. Het zijn ervaringen die hem de nodige scepsis hebben bijgebracht aangaande het modernistische idee dat je je leven al schrijvend in de hand zou kunnen krijgen.

Jongstra, die in zijn roman 'De tegenhanger' (2003) Arno Breekveld én zichzelf een rol toebedeelde en van de schijnbaar waarheidsgetrouwe documentaire 'De avonturen van Henry II Fix' (2007) één geweldige mystificatie maakte, citeert in 'Klinkende ikken' met instemming de grote essayist Montaigne. Die stelde al vast dat individuele uitspraken en gedragingen bij nader inzien verre van consistent zijn. Jongstra, die zich door een bevriende professor heeft laten vertellen hoe postmodern zijn werk wel niet is, besluit op gezag van zijn zestiende-eeuwse voorganger dat hij niet alleen als schrijver maar ook als mens onderdak biedt aan een hele ikkenclub. Het lijkt hem flink op te luchten.

Jongstra haalt ook Rousseau aan. Deze godfather van de moderne autobiografie verzuchtte in de aanhef van zijn 'Bekentenissen' (1782) dat hij voor dit project eigenlijk een nieuwe taal en een nieuwe stijl zou moeten uitvinden. Hoe zou hij anders de 'immense chaos van tegenstrijdige gevoelens' kunnen ontwarren? In lijn met dat advies heeft Jongstra niet gekozen voor de conventie van het doorlopende verhaal, maar beweegt hij zich in een lange hink-stap-sprong langs verschillende episoden van zijn bestaan. Daarbij laat hij zich noch aan de chronologie noch aan de volledigheid ook maar iets gelegen liggen.

In hoeverre hij zich houdt aan Rousseau's gebod om eerlijk en waarheidsgetrouw te zijn, is overigens zeer de vraag. Het verslag van een gesprek met Prins Bernhard, gedateerd op 14 augustus 1995, is alvast een overduidelijk verzinsel, dat je eerder zou verwachten in een schelmenroman. Maar juist vanwege de picareske inslag past het goed bij de min of meer authentieke, maar ongetwijfeld ook aangedikte belevenissen waar Jongstra ons op trakteert, belevenissen waarin hij nu eens in de huid kruipt van een stuntelende Don Quichotte, om zich dan weer te vermommen als een snaakse Uilenspiegel.

Eelco Runia, in 2003 verrassend gedebuteerd met de roman 'Inkomend vuur', probeert op een nog eigentijdser manier aan autobiografische vormvernieuwing te doen. Tijdens een verblijf als gastdocent aan de Californische Stanford University hield hij ter wille van het thuisfront een weblog bij. De in zes maanden tijd bij elkaar geschreven entrees worden nu, ongetwijfeld met de nodige veranderingen, gepubliceerd als de roman 'Breukvlak'. De verteller is ene Minne Algra - wiens achternaam is geleend van Runia's grootvader, de anti-revolutionaire senator die in de vroege jaren zestig de aanzet gaf tot het zogenaamde Ezelproces tegen Gerard Reve. Algra junior ontdekt al bloggend een groot verschil met het dagboek. ?Het loutere feit dat een blogger zich heeft voorgenomen een blog bij te houden heeft invloed op wat hij in dat weblog beschrijft. Het weblog geeft sturing aan zijn leven, sterker nog: fictionaliseert het.''

Het is de vraag of het hier echt een wezenlijk verschil betreft. De zelfdramatisering die Runia karakteristiek acht voor het weblog, kan zich in het dagboek evengoed voordoen. Schrijven over jezelf is hoe dan ook een manier om je een identiteit te verschaffen. En van een zogenaamd authentieke identiteit naar een heus rollenspel is het maar een kleine stap.

Zelfs Du Perron, die strenge moralist, begreep dat toen hij in zijn autobiografische roman 'Het land van herkomst' (1935) poneerde dat een dagboek de waarheid onvermijdelijk vervalst, maar dat brieven daarentegen authentiek zijn. Een argument gaf hij niet, maar wie hem een beetje kent, weet wat hij bedoelde: een brief (en 'Het land van herkomst' is welbeschouwd één lang epistel) is gericht tot iemand bij wie men als het ware te biecht gaat. Wie daarentegen bij zichzelf te biecht gaat, kan zich allerlei onwaarheden permitteren. Om dat in te zien is het niet eens nodig in te stemmen met W.F. Hermans, die van mening was dat dagboeken van leugenaars precies zo leugenachtig waren als hun openbare geschriften.

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat