Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 270
Auteur(s): Edward W. Said
Titel: Ontheemd
Een jeugd in het Midden-Oosten
Recensent: Jaap Goedegebuure
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 11-2-2010
Waardering: geen waardering bekend


Said, een verwend en gekweld herenzoontje
In zijn Said, een verwend en gekweld herenzoontje autobiografie typeert Edward Said zich als een niet-Arabier in een Arabische omgeving en een niet-Amerikaanse Amerikaan.

De naam van de Amerikaanse cultuurwetenschapper Edward Said (1935-2003) zit vast aan het door hem gemunte begrip ’oriëntalisme’. Daarbij gaat het om een stereotiepe kijk op de Arabische wereld die onder westerlingen al sinds eeuwen gemeengoed is. Arabieren, zo wil het traditionele vooroordeel, zouden met de islam geassocieerde eigenschappen als fatalisme en indolentie combineren met ingeboren wreedheid en zinnelijkheid. Deze beeldvorming, door Said aangetroffen bij negentiende-eeuwse schrijvers als Victor Hugo en Gustave Flaubert, gaat gepaard met onverholen afkeer. Daaronder schuilt een bijna dwangmatige fascinatie. Want weliswaar belichaamt de oosterse mens de gevreesde Ander, maar stiekem zou de van huis uit geremde westerling willen delen in oriëntaalse genoegens als de waterpijp, de luie middagdommel en niet te vergeten de schare gedienstige vrouwen.

Dat Said van huis uit een antenne had voor tweeslachtigheid, en dus bij uitstek geschikt was om ambivalente fenomenen te exploreren, blijkt uit de autobiografie ’Out of place’ die hij vier jaar voor zijn dood voltooide. Zijn geboorte stempelde hem tot een meervoudige persoonlijkheid en bijgevolg tot iemand die eigenlijk nergens thuis was. Zijn Palestijnse ouders behoorden tot een christelijke minderheid in een overwegend islamitische omgeving. Zijn vader, zeer succesvol in zaken, belandde tijdens de Eerste Wereldoorlog in de Verenigde Staten en hield aan legerdienst aan het Franse front een Amerikaans paspoort over, wat waarschijnlijk de reden was dat zijn vijf kinderen Engelse voornamen droegen. Het gezin woonde afwisselend in Cairo, Jeruzalem en het Libanese stadje Doer, maar de scholen die de kleine Edward bezocht waren zonder uitzondering Engelstalig. Toen hij toe was aan een academische vorming, doorliep hij die aan de - destijds overwegend blank gekleurde - universiteiten van Princeton en Harvard. Vervolgens aanvaardde hij een baan bij Columbia University in New York, waar hij de rest van zijn leven bleef.

Said typeert zichzelf als een niet-Arabier in een Arabische omgeving, een niet-Amerikaanse Amerikaan, een Engels sprekende en lezende strijder tegen de vermeende Angelsaksische superioriteit en als ’het gekwelde of juist verwende zoontje’. In zijn autobiografie ligt het accent vooral op de frustraties van zijn opvoeding. Het ’Edward’ genaamde personage is in de ogen van de zoveel oudere en wijzere auteur allereerst een creatie van de beide ouders: ambitieuze, trotse en tamelijk harde karakters die hun oudste kind vormden naar het Victoriaanse model van normen en waarden dat ook hen had gepokt en gemazeld. Vanachter deze in hoge mate onechte, niet-authentieke ’Edward’, die toestond dat zijn vader hem tot ver na zijn twintigste bleef slaan en koeioneren, bleek uiteindelijk een politiek- en maatschappelijk-bewuste intellectueel te voorschijn te komen. Die kreeg overigens pas zicht op de realiteit toen hij de cocon van het luxueuze ouderlijke milieu en het daardoor mogelijk gemaakte elitaire onderwijs achter zich had.

Het is treffend dat Said zich pas van zijn etnische wortels bewust werd door de opeenstapeling van drama’s die zich in de tweede helft van de vorige eeuw aan de Palestijnen voltrokken: de stichting van de staat Israël in 1948, de zesdaagse oorlog van juni 1967, en tenslotte de Libanese burgeroorlog die woedde van 1975 tot 1992 en het welvarendste en meest stabiele land van het Midden-Oosten herschiep in een permanente chaos. Opmerkelijk genoeg namen Saids ouders, hoezeer ook zij betrokken waren bij de steeds heftiger wordende nasleep van 1948, nauwelijks notitie van het lot van de ontheemde Palestijnen. Dat moet wel de reden zijn geweest dat hun aanvankelijk zo volgzame zoon zich pas zou gaan manifesteren als prominent voorvechter van de Palestijnse zaak toen hij eenmaal economisch zelfstandig was geworden.

Het pleit voor Said dat hij dit pijnlijke proces van ontbolstering, dat hem van vaders knechtje en moeders kindje kneedde tot een zoveel autonomer persoonlijkheid, analyseert met nietsontziende eerlijkheid. Op het moment van schrijven was hij zich er dan ook van bewust dat hij niets meer te verliezen had nadat was vastgesteld dat hij aan leukemie leed. Hij wilde zich zo diep mogelijk buigen over het kind dat hij was geweest. De mate van gedetailleerdheid mag misschien af en toe wat te veel van het goede worden, dat laat onverlet dat Said zich hier manifesteert als de man die ondanks diverse weerstanden bereid was om op te staan tegen alles wat hem ooit als waar en juist was voorgehouden.

Jaap Goedegebuure
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat