Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 250
Auteur(s): A. F. Th. van der Heijden
Titel: Engelenplaque
Notities van alledag 1966 - 2003
Recensent: Elsbeth Etty
Bron: NRC Handelsblad
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 17-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


Dag kapot, week kapot, leven kapot
NRC Handelsblad, 27 juni 2003

A.F.Th. van der Heijden: Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003.De Arbeiderspers, 494 blz. EUR25,-

Op dinsdag 9 juni 1998 noteerde A.F.Th. van der Heijden in zijn dagboek dat hij met te veel geduld heeft geëxperimenteerd met stijl en compositie, maar nu, zo voegt hij daaraan toe, `is het gedaan met de langzaamaan ontwikkeling. Ik wil een eigen onvervangbare stijl, die zal blijken steeds nog een graadje extremer te kunnen. Een kwestie van zoveel mogelijk schrijven - dagelijks en de hele dag door. Ik heb dat fanatisme in me; waarom laat ik het zo weinig aan bod komen?'

Het is een briljant idee geweest van De Arbeiderspers om het 250ste deel van de prestigieuze autobiografische serie Privé-domein te laten samenstellen door een Nederlandse topauteur. De reeks dreigde enigszins in de versukkeling te raken, terwijl er jarenlang schitterende vertalingen en herdrukken van internationale en nationale egodocumenten (memoires, brieven, dagboeken) in verschenen. Denk aan de dagboeken of autobiografieën van beroemdheden als Virginia Woolf, Sjostakovitsj, Paustovski, de gebroeders De Goncourt, George Grosz, Klaus Mann, Stefan Zweig en vele anderen.

Nederlandse auteurs waren minder prominent vertegenwoordigd, al verschenen de herdruk van Henriette Roland Holsts memoires Het vuur brandde voort en de autobiografie van Annie Romein-Verschoor Omzien in verwondering in Privé-domein. Geregeld laat De Arbeiderspers ook contemporaine Nederlandse auteurs als Rogi Wieg en recentelijk Ronald Giphart aan de reeks bijdragen, maar de gebrekkige kwaliteit van hun boeken heeft de status van het genre geen goed gedaan. Gepriegel op de vierkante centimeter en gepoch op eigen populariteit is niet bevorderlijk voor de belangstelling voor het werk van een schrijver. Zulke egodocumenten doen de literatuur meer kwaad dan goed.

A.F.Th. van der Heijdens Engelenplaque is van een andere orde. Hier krijgen we een rondleiding door het laboratorium in het hoofd van de schrijver, hier worden we getuige van gecompliceerde scheppingsprocessen. In veel van deze dagboekfragmenten zien we een reusachtig oeuvre in wee geboren worden, we zien de worsteling, het fanatisme, de faalangst, de drank- en vetzucht, het voortdurende helse gevecht met zichzelf waar dit fysiek en mentaal uitputtende werk mee gepaard gaat. Dit zijn precies de ingrediënten die het genre egodocument zo interessant maken.

Zwoegen

Ook dit verslag van het dagelijks zwoegen staat vol met kleine beslommeringen en ongerief, vol kleine kwetsuren die als doodswonden worden voorgesteld. Zo besteedt hij in februari 1997 bijna een hele pagina aan scheldwoorden tegen Natasha Gerson die in een interview iets onaardigs over zijn uiterlijk had gezegd. Te veel eer, zou ik zeggen. Dat neemt niet weg dat in dit dagboek het ontstaan van en de samenhang binnen het literaire werk een centrale plaats innemen, vanaf de onder het pseudoniem Patrizio Canaponi gepubliceerde romans tot en met De Movo Tapes. Dat is een verrijking. Niet dat de romancyclus De tandeloze tijd, de drie requiems of deel nul van de nieuwe cyclus Homo Duplex zonder kennis van Van der Heijdens autobiografische informatie minder genietbaar zouden zijn, maar zijn oeuvre is dermate gecompliceerd qua opbouw en ideeënwereld dat de dagboekinformatie meer dan welkom is.

Engelenplaque - de titel verwijst naar de uitwaseming van cognacvaten die de huizen in de Franse Cognacstreek het aanschijn van oud zilver geven en behelst een metafoor over het verstrijken van de tijd - laat de ontwikkeling zien van een ambitieuze schrijver vanaf medio jaren zestig tot heden. In 1966, het jaar waarin het eerste deel van de Privé-domeinreeks verscheen, begon de veertienjarige Adri van der Heijden aan de ontginning van zijn eigen privé-domein. Tegen zijn moeder zei hij in die tijd: `Ik wil voor de rest van mijn leven elke dag vastleggen in een dagboek ... niets verloren laten gaan.' Dus toen De Arbeiderspers hem vroeg om over de periode 1966-2003 250 dagboeknotities te selecteren kon hij putten uit een overvloedige bron.

De eerste bijdragen zijn vooral aandoenlijk. In 1970, klaar met school, maar nog bij zijn ouders thuis in Geldrop, leest hij `over kunstenaars in vroeger eeuwen', net zolang tot `de scheppingsdrang' hem in z'n macht krijgt. Die drang vertaalt zich eerst in merkwaardige epistels, geschreven in een gekunstelde archaïsche stijl waarin de woorden Ik, Mij en Mijn met hoofdletters beginnen. Onthullend is een brief aan vriendin K. uit 1971 waaruit een diepe identiteitscrisis spreekt. Van der Heijden lijdt aan een depressie en probeert `zichzelf terug te zoeken'. `Ik wil voortaan echt zijn.' Een kleine vierhonderd bladzijden verder, het dagboek dateert dan uit 1998, blijkt uit een psychedelische jeugdherinnering waarin de adolescent met softdrugs heeft geëxperimenteerd, dat deze brief nooit is verzonden. Overigens is de twijfel over zijn eigen echtheid nooit geheel verdwenen. In oktober 1979 schrijft hij: `Mijn leven is een chaos van leugens. Gelukkigerwijs is in mijn werk de leugen tot literatuur geworden. Alleen over mijn werk kan ik eerlijk zijn.'

Over zijn studententijd in Nijmegen - als fictie verwerkt in De tandeloze tijd - komen we te weten hoezeer Van der Heijden afweek van zijn marxistische medestudenten. In mei 1972 noteert hij over `het fenomeen Marx': `Bah. Mijn liefde jegens de mensheid is te klein dan dat Ik zou meewerken aan zoiets als een socialistische maatschappij.' Hij heeft duidelijk andere dingen aan zijn hoofd. Juli 1972: `Mijn fantasie wend ik aan om te schrijven en wat ik schrijf, daarvan probeer ik bestsellers te maken. Naar de smaak (of de toekomstige smaak) van de mensen.' Hij heeft dan al het nodige geschreven, maar nog niets gepubliceerd. In 1973 biedt hij het manuscript van zijn roman Bejaardenhuis op het Dak van de Wereld aan Thomas Rap aan, die het boek echter niet in zijn fonds vindt passen. Reactie van de dan 21-jarige Adri: `Mijn dag is kapot. Mijn dag? Mijn week, mijn leven.' Achteraf blijkt dat ook uit deze episode literatuur is gedestilleerd. De toen opgetekende indrukken en ervaringen, bijvoorbeeld over de ontmoeting met een verminkte vrouw of de eerste autoloze zondag, zouden een rol spelen in een anno 2003 te publiceren bestseller, waar de inmiddels overleden uitgever Thomas Rap mogelijk ooit van heeft gedroomd.

Pitloze mandarijn

Van der Heijdens leven neemt een wending als hij, na reizen door Italië, eind jaren zeventig onder de naam Patrizio Canaponi twee boeken uitbrengt bij Querido (Een gondel in de Herengracht en De draaideur). Hij is verhuisd naar Amsterdam, ontmoet daar zijn grote liefde Mirjam Rotenstreich en doet zijn intrede in wat hij zelf `de literaire wereld' noemt. Geen leuke wereld, zo te lezen. In november 1979 verschijnen in het dagboek de eerste bittere uithalen naar collega-schrijvers en critici. Tom van Deel (`literatuurboer van de universiteit' en `pitloze mandarijn') moet het ontgelden, evenals de `mislukte literaire komiek Henk Spaan' en de leden van Harry Mulisch' `herenclub' waar hij maar al te graag bij had willen horen, maar die hem ondanks een introductie van Cees Nooteboom afwijzen.

Hoe vermakelijk ook om te lezen, met zijn aanvallen op critici en schrijvers, stuk voor stuk kleinere talenten dan hijzelf, toont Van der Heijden zijn lichtgeraaktheid en diepzittende, moeilijk te overschreeuwen onzekerheid: hij kan niet tegen kritiek. Tegen het eind van het boek krijgt iedereen die het ooit heeft gewaagd met Van der Heijden van mening te verschillen er op humorloze wijze van langs. Is het prudentie, berekening of lafheid dat de ene vermeende tegenstander ongenoemd blijft, terwijl anderen, van wie hij niets te vrezen heeft, met naam en toenaam worden vermeld? Als hij een inmiddels invloedrijk uitgever te kijk zet, houdt hij het anoniem. In 1987, A.F.Th. van der Heijden is dan al een gevierd schrijver, nodigt redacteur N. van uitgeverij N.N. de auteur en zijn vrouw `op persoonlijke titel' uit voor een etentje. De baas van de uitgeverij, N.N. zelve, blijkt echter ook mee te gaan en probeert onder het voortdurend bijvullen van Van der Heijdens wijnglas Querido's sterauteur weg te kopen. Een schandalige manier van doen van N.N., maar niet minder van diens redacteur N. die later directeur van Prometheus zou worden en er in die functie geen been in zag schaamteloos onder de duiven van collega-uitgevers te schieten. Waarom noemt Van der H. dan N.N. niet gewoon Bert Bakker en N. Mai Spijkers? Als polemist is Van der Heijden beneden de maat, niet echt vilein, te vol razernij om niets, om zich heen slaand naar muggen, zich bedienend van flauwe naamgrappen en roddels.

Kellendonk

Overigens zijn het de anekdotes uit het literaire leven - waaronder prachtig geschreven herinneringen aan Frans Kellendonk en Johnny van Doorn - die het boek ook voor mensen die het werk van Van der Heijden niet kennen of waarderen tot smakelijke lectuur maken. Maar veel belangrijker dan de vermakelijke achterklap is de zoektocht van de schrijver door de jaren heen naar een eigen stijl, een persoonlijk wereldbeeld en vooral naar een origineel oeuvre dat moet resulteren in Het Ene Boek, het menselijkerwijs niet te schrijven boek, het boek waarin de verloren tijd zal worden teruggewonnen. De worsteling van het scheppen laat Van der Heijden zijn lezers van minuut tot minuut meemaken in 1988 - het jaar waarin zijn zoon Tonio wordt geboren - en in 2002 wanneer hij zich terugtrekt in een Limburgs hotel om daar De Movo Tapes te voltooien. Voor beide episodes trekt hij, in tegenstelling tot andere jaren, vele tientallen pagina's uit waarin hij laat zien hoe moeilijk het voor hem is om leven en letteren te combineren.

De indruk die deze gedetailleerde notities achterlaten is dat het leven een kwelling is voor Van der Heijden. Hij leeft om te schrijven, om zijn `talent zo radicaal mogelijk uit te buiten' en als dat soms tegenzit zijn depressies het onvermijdelijke gevolg. Zo'n schrijver, alhoewel uiteraard niet boven kritiek verheven, valt veel te vergeven, zelfs het kleinzielig geschimp op minder ambitieuze collega's wier gebrek aan waardering slechts uit jaloezie kan worden verklaard. Het ontbreekt Van der Heijden niet aan erkenning, integendeel, maar wie door dit dagboek getuige is van het helse pogen dat zijn leven onleefbaar maakt, begrijpt dat die erkenning voor hem nooit voldoende kan zijn. Tot zijn laatste snik zal deze auteur vechten om meer. Uit de diepte schallen de kreten: `Nu, verdwijn, faalangst! Erdoorheen! Niet langer aarzelen.'

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat