Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 263
Auteur(s): Eugène Delacroix
Titel: Ik heb het niet over middelmatige mensen
Dagboeken en brieven
Recensent: Paul Depondt
Bron: De Volkskrant
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 29-9-2007
Waardering: waardering: 4 uit 5


Alleen voor mijzelf geschreven
****
Ik heb het niet over middelmatige mensen - dagboeken en brieven
Eugène Delacroix
Vertaald uit het Frans door Joop van Helmond
Privé-Domein - De Arbeiderspers;
312 pagina’s, € 23,95
ISBN 978 90 295 6396 3

De Volkskrant, 28-09-2007

Paul Depondt

Het befaamde dagboek van de schilder Eugène Delacroix is niet alleen een hoogstpersoonlijk memoriaal, maar ook een kleine sociologie van het schildersgilde.

Op dinsdag 3 september 1822, in het huis van zijn bijna twintig jaar oudere broer, generaal Charles Delacroix, noteert de 24-jarige schilder Eugène Delacroix dat hij 'in een goede bui' aan zijn beroemde dagboek begint. Hij brengt het plan, dat hij al zo vaak heeft opgevat, ten uitvoer om zijn eigenzinnige Journal bij te houden.

'Wat ik het allerliefste wil', schrijft hij op die septemberdag in Louroux, 'is dat ik niet uit het oog zal verliezen dat ik het alleen voor mezelf schrijf.' Hij wil oprecht zijn en hoopt een beter mens te worden. 'Deze bladzijden zullen me mijn wispelturigheid voor de voeten werpen.'

Nauwelijks twee jaar later houdt Delacroix. (1798-1863) er al mee op. Met uitzondering van enkele losse schriften met schetsjes en aantekeningen, zoals zijn al even bekende Carnets de voyage au Maroc, neemt hij het schrijven van zijn dagboek pas in 1847 weer op, ruim een kwarteeuw later. Anders dan in zijn jeugdnotities, die hij alleen maar voor zichzelf schreef, rekent hij nu op een groot lezerspubliek. Het zijn voortaan aanzetten voor een Dictionnaire des arts et de la peinture, een lexicon waarin hij de door zijn hele journaal verspreide aantekeningen over, het schilderen bij elkaar wil brengen.

Delacroix vergelijkt zich 'met een botanist die in een doos alle planten en bloemen stopt die hij op honderd verschillende plekken heeft vergaard, ieder met een specifieke emotie'. Een vriend, zegt hij in een aantekening, 'adviseert me om mijn overpeinzingen, gedachten en observaties te laten drukken zoals ze nu op papier staan'. Zijn hele dagboek verschijnt uiteindelijk postuum, in 1931.

Ik heb het niet over middelmatige mensen, luidt de titel van een door Joop van Helmond vertaalde keuze uit het dagboek. De schilder, die zijn Journal tot aan zijn dood bijhield, heeft er forse hiaten in laten vallen. De vertaler heeft er, anders dan in de oorspronkelijke editie
die aanvangt met de voornoemde intentieverklaring van september 1822, een aantal brieven uit zijn omvangrijke correspondentie aan toegevoegd 'om toch de biografische draad vast te houden'.

Zowel de notities als die brieven zijn een 'geschiedenis van een karakter' van een belezen en geestdriftig kunstenaar, van een enthousiasmerend, leermeester, maar ook van een zwierig en wellustig type met - zoals hij schrijft - 'een grote behoefte aan seks'. Eigenlijk, onthult hij in zijn dagboek, heeft hij 'een maîtresse nodig om de, gewone vleselijke behoeftes te beteugelen'. Hij vertelt in zijn brieven zonder enige gêne over zijn geliefdes en over zijn onverzadigbare seksuele appetijt.

Van Helmond koos uit de drie bij Plon in 1931 en 1932 verschenen lijvige dagboekdelen en de bij dezelfde uitgever gepubliceerde vijf delen correspondentie. In de bijna duizend pagina's tellende heruitgave van het dagboek uit 1980 geeft tekstbezorger Hubert Damisch de lezers de raad om 'vooral het hele dagboek te gaan lezen' en ook het uitvoerige 'supplement' omdat je alleen maar op die manier het temperament en het uitgesproken karakter van de grote schilder kunt vatten.

Delacroix noteert niet alleen zijn invallen, zijn opwellingen, zijn politieke commentaren en zijn meningen over de boeken die hij leest, maar ook zijn uitgaven en inkomsten. Daardoor is het dagboek niet alleen een hoogstpersoonlijk memoriaal, maar ook een tijdsdocument en een kleine sociologie van het schildersgilde, waarvan je jammer genoeg in de beperkte keuze die voor de Nederlandse vertaling is gemaakt nog slechts weinig terugvindt.

Voortdurend schrijft hij zijn naar eigen zeggen 'armzalige indrukken' op, maar ook 'grote denkbeelden' over de kunsten - 'van de hak op de tak', vermeldt hij eind november 1855. Het plezier dat hij beleeft aan het in zijn aantekenboekjes herlezen van zijn overpeinzingen of de vermeldingen van wat hij op een bepaalde dag heeft gedaan, wie hij heeft gezien, waar hij was, 'zou me moeten genezen van mijn luiheid en me ertoe moeten aanzetten om vaker te schrijven'. De intelligente en literair zeer begaafde Delacroix ondervindt in het dagboekschrijven bij lange na niet de moeilijkheden die hij bij het schilderen heeft.

Vermoedelijk staan de Dictionnaire philosophique of de Questions philosophiques van Voltaire hem voor ogen wanneer hij het idee opvat een lexicon samen te stellen over de praktijk van de schilderkunst. in elk geval vindt hij bij de door hem zo bewonderde filosoof een motto voor zijn 'naslagwerk van de schone kunsten': 'De geschiedenis van de kunst is van alle misschien wel het meest van nut als ze aan de kennis over de artistieke schepping en de vooruitgang in de kunst een beschrijving van het technische ontstaansproces koppelt.'

Delacroix houdt niet van pseudo-geleerden die 'hun totale onwetendheid over de techniek als een vrijbrief beschouwen'. In zijn notities, waarin hij meerdere keren ook al de eerste contouren van een voorwoord opschrijft, heeft hij het niet alleen over zijn 'esthetische doctrine' maar ook over het schildersvak, over modellen en schildersbenodigdheden. 'Het voornaamste doel (...) is niet te ontspannen', klinkt het in een aanzetje voor zijn voorwoord uit 1860, 'maar wijzer te maken'.

Pas jaren na zijn dood in 1863 komen de bezorgers van het dagboek op het spoor van zijn vele opschrijfboekjes, grote en kleine schriften. Enkele van zijn paperassen gingen verloren, andere werden gelukkig door vrienden gekopieerd. In zijn wel erg korte nawoord vertelt de vertaler maar weinig over de manier waarop het hele dagboek is 'gereconstrueerd' en sindsdien ook door literatuurvorsers zeer wordt gewaardeerd.

In veel kunstboeken en kritieken, ook nu nog, tref je citaten aan uit Delacroix' dagboek. Op een scherpzinnige manier kan hij onder woorden brengen wat er zich in het schildersatelier afspeelt, op het theater of in de concertzaal, of wat hij gelezen heeft. Zijn losse, korte en gevatte aantekeningen en opmerkingen, die hij vaak zin na zin in lijstjes optekent, vormen wellicht het meest verhelderende naslagwerk over de kunstopvattingen van zijn tijd. Op dinsdag 10 mei 1853, na het moeizaam op foliovellen uitschrijven van het lemma 'Poussin', gooit hij er bijna weer het bijltje bij neer. 'Thuis ben ik in mijn dagboek gaan lezen', noteert hij in zijn Journal. 'Als literatuur stelt het niet veel voor, maar tot dusver vind ik het niet saai, dat is de hoofdzaak.'


Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat