Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 263
Auteur(s): Eugène Delacroix
Titel: Ik heb het niet over middelmatige mensen
Dagboeken en brieven
Recensent: Marianne Vermeijden
Bron: NRC Handelsblad
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 18-12-2007
Waardering: geen waardering bekend


De smart is niet spraakzaam
Brieven en dagboekfragmenten van schilder-schrijver Eugène Delacroix (1798-1863)

Hij was een dubbeltalent, een romantische schilder die ook nog eens onderhoudend kon schrijven. Maar diepe emoties zijn in zijn brieven ver te zoeken.

Eugène Delacroix: Ik heb het niet over middelmatige mensen.
De Arbeiderspers, 256 blz. € 23,95


Eugène Delacroix wordt de meest romantische schilder van Frankrijk genoemd. Zijn mythologische bloedbaden en zijn leeuwenjachten wervelen van vaart van kleur. Alsof ze de voorboden zijn van de filmspektakels die een eeuw later werden geproduceerd. Vooral het neerzetten van woest steigerende paarden ging hem goed af, hij beeldde als het ware uit dat ‘God het paard schiep uit de wind’, zoals een Arabisch gezegde luidt. Daarnaast is er een Delacroix die van stilte, rust en eenvoud houdt, de schilder van aquarellen en pastels, van bossen, luchten en zonnen, zo romantisch opgetekend dat ze de bekentenissen lijken van een fundamentalistische pantheïst.

Delacroix was een dubbeltalent, want hij kon ook nog helder en onderhoudend schrijven. Dat blijkt uit zijn dagboeken en brieven waarvan nu fragmenten - uit respectievelijk drie en vijf boekdelen - gebundeld zijn in de Privé-domein-uitgave Ik heb het niet over middelmatige mensen. Omdat hij zijn dagboek vaak verwaarloosde, zijn die leemten gevuld met brieven in verschillende toonsoorten.

Vooral die aan levenslange vrienden als George Sand en Chopin, familieleden en geliefden zijn een genoegen om te lezen. Persoonlijke belevenissen en ontmoetingen worden afgewisseld met zelf gefabriceerde aforismen en kunstopvattingen. Van diepe emoties houdt hij zich verre. En bij de plotselinge dood van zijn broer legt hij aan George Sand uit waarom: ‘De smart is niet erg spraakzaam […], dit soort diepe smart, verdriet dat door het vlees en de ziel snijdt, merkt dat het papier een kille uitlaatklep is, en om wat te zeggen? Dat ik verdriet had, dat wist u maar al te goed, beste vriendin.’

In zijn vroege dagboeknotities komt Delacroix naar voren als een aimabele en gedachtenvolle twintiger die weliswaar graag alleen is maar te gemakkelijk zwicht voor een glas hier en een etentje daar. Dat beweert hij zelf althans, en op zulke momenten spreekt hij zichzelf graag vaderlijk toe: ‘Het vaste streven naar orde in je ideeën is voor jou de enige weg naar geluk; en omdat te bereiken is tevens orde in de rest, zelfs in de meest alledaagse dingen, nodig’. Hij probeert het leven uit te vinden dat bij hem past en dat in moreel opzicht ook waard is geleefd te worden: waarachtig zijn, ijverig, standvastig, hard werken, zaken niet uitstellen.

Buitenshuis laaft hij zich aan opera en theater, aan Mozart en Cimarosa, hij leest Dante, Byron en Shakespeare, en hij heeft al kennis en introspectie genoeg om kunstenaars tegen elkaar af te zetten en zich het hoofd te breken over de fundamentele betekenis van schilderkunst en muziek, van roem en bezit, van liefde en vrienden, en van geluk: ‘Wanneer we ons volledig aan de ziel overleveren […] stelt ze ons met al haar grilligheid in staat tot het grootste geluk, het geluk om aan de ziel in duizend vormen uiting te geven, haar […] met anderen te delen, om onszelf te leren kennen en onszelf voortdurend in ons werk uit te drukken. Ik heb het niet over middel­matige mensen, maar wat is die zucht om niet alleen te schrijven, maar tevens uitgege­ven te worden? Afgezien van het genoegen om geprezen te worden, gaat het ons het con­tact met andere zielen die de jouwe kunnen begrijpen.’

Cruciaal voor zijn schilderproductie wordt een reis samen met een diplomaat naar Ma­rokko. Delacroix is dan 34 en al onderschei­den voor zijn Salon-inzendingen. De ont­vangst in Meknès is ‘van een zeer grote schoonheid’, want [...] ‘de sultan had onder bedreiging met de zwaarste straffen aan ie­dereen bevel gegeven zich te amuseren en ons feestelijk te onthalen.’ Eenmaal alleen op straat wordt bet minder gezellig; ‘horden nieuwsgierigen [maken] me uit voor hond, ongelovige [...] en trekken voor mijn neus een minachtend gezicht.’

Als hij later in quaran­taine voor de kust van Tanger dobbert, na­dert in het kielzog van de consul ‘een twintig­tal zwarte, gele en groene maraboes’, die later ‘als katten over het hele schip kropen en tus­sen ons door liepen.’ Dat surrealistische tafe­reel heeft hij bij mijn weten nooit geschil­derd, maar wél de harems, de Arabische strij­ders en de feeëriek uitgedoste joodse families van Meknès .

Als Delacroix jaren na deze reis zijn dag­boek weer oppakt, is hij bijna vijftig, fysiek verzwakt en nog meer gesteld op het buiten­leven dan voorheen. De twee vrouwen in zijn leven, zijn maîtresse baronesse Joséphine de Forget en de dienstbare Jenny Le Guillou, ko­men in deze uitgave - een enkele brief daar­gelaten - terloops ter sprake, alsof de relatie met hen te discreet was voor het papier. Het werk ging voor alles: ‘Sinds vier maanden sta ik bij het ochtendgloren op en haast me naar mijn verleidelijk werk, alsof ik me zo snel mogelijk aan de voeten van een geliefde min­nares wil werpen: […] Maar hoe komt het dat deze eeuwige strijd me er niet onder krijgt en me juist doet opleven, en in plaats van me te ontmoedigen me troost en me bezighoudt als ik ermee ben gestopt?’

Net als Josephine en Jenny bleef hij ook schilders als Rubens, Rafaël, Titi­aan, Michelangelo en Rembrandt die hem al vroeg in zijn leven fascineerden, later in zijn technische en kritische observaties trouw. Hij analyseert de stilistische stadia in hun werk, de invloeden die de schilders on­dergingen, de opzet van hun composities, de opbouw van verflagen. Lange tijd zijn Ru­bens en Rafaël zijn favorieten, maar ‘men zal er nog wel eens achter komen dat Rembrandt een grotere schilder was dan Rafaël’, conclu­deert hij, terwijl Rembrandt destijds nog niet het aanzien genoot dat hij nu heeft.

Naarmate de tijd verstrijkt zit de dood - ‘die afgrijselijke nacht' - hem op de hielen. Delacroix heeft zich dan al voorgenomen een Dictionnaire des Beaux Arts na te laten, met analyses van de specifieke stijl die een kunste­naar hanteert. In zijn dagbock noteert hij alvast invallen, aanzetten en adviezen: Een schilder moet durf hebben om zichzelf te zijn, zich blijven vernieuwen, veel kopiëren om te leren, hij moet zelfvertrouwen hebben, ‘dat als enige meesterwerken kan voortbren­gen’ en ‘toewijding, want dat is een plicht voor een ieder die bezeten is van wat hij doet.’

De dood heeft een stokje gestoken voor de voltooiing van die Dictionnaire, maar de aan­zet daartoe heeft anderhalve eeuw later nog weinig aan waarde ingeboet. Over het effect van ‘accessoires’ op schilderijen of over het niet-Britse karakter van Rubens’ paarden zullen weinig kunstenaars zich nog opwin­den. Maar daar staan genoeg universele be­vindingen, over verbeelding, kennis, verveling, kijken en intuïtie tegenover. Dat daar wel eens hoogdravende bewoordingen over ziel en zaligheid aan te pas komen, moet men maar op de koop toe nemen.
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat