Mijn Prive-domein
Mijn Privť-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 145
Auteur(s): Adriaan MorriŽn
Titel: Plantage Muidergracht
Recensent: Arend Evenhuis
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 27-1-2007
Waardering: geen waardering bekend


Plantage Muidergracht
ADRIAAN MORRIEN Als auteur moet je een beetje op je woorden passen, nietwaar? Een 'innerlijke ruimte' die zich steeds blijft uitbreiden



Adriaan Morrien, 'Verzamelde gedichten', uitg. G.A. van Oorschot, 397 blz - F49,-. Adriaan Morrien, 'Plantage Muidergracht', als Prive-domein bij De Arbeiderspers, 383 blz - F49,90. (In het voorjaar verschijnt deel II van 'Plantage Muidergracht'. )
'Jawel.' Stilte. 'Met meneer Morrien, de schrijver?' 'Jawel, spreekt u maar.' Stilte. 'Mag ik u iets vragen?' 'Jazeker, vraagt u maar.' Stilte. 'Mag ik er even over nadenken?' 'Ja, denkt u maar rustig na.' Langdurige stilte. 'Mag ik u een andere keer opbellen?' 'Natuurlijk.' Stilte. 'Dank u wel.' 'Niets te danken.' Deze nadenkende vrouw heeft mij nooit een andere keer opgebeld.'

(Uit: 'Plantage Muidergracht', Privedomein.)

Misschien wilde de vrouw alleen maar weten hoe de stem van Morrien klonk, en weet ze nu dat die ietwat krasserig klinkt en een zekere temerige zangerigheid bezit die Jan Wolkers ook heeft. 'Ik denk,' schreef Hugo Brandt Corstius, 'dat de stem van Flaubert leek op die van Morrien.' De schrijver zelf is daar niet zo snel van overtuigd. Hoe zou Flaubert gepraat hebben, zo'n beetje lijzig? Misschien als Brandt Corstius het figuurlijk bedoelt, dat zou beter kunnen; Flauberts vermogen tot detailering in waarneming.

``Ik bewonder Flaubert om z'n brieven en om z'n morele onafhankelijkheid wat de erotiek betreft. 'Madame Bovary' vond ik niet om door te komen. Van Eedens 'Van de koele meren des doods' vind ik veel dreigender, hij roept ook meer medelijden op. Haat is een deugd, schrijft Flaubert, nou dat vind ik niet onvoorwaardelijk. Ik geef toe: 'Ik haat je' klinkt meestal overtuigender dan 'Ik hou van je'. 'Ik hou van je' fluister je meestal, en het feit dat je fluistert duidt al op twijfel.'

Haat als deugd, ik weet het niet. Maar niet-haten kan inderdaad een tekortkoming zijn, daar heb ik wel last van gehad. Ooit ontmoette ik een Duitser die ik zo weerzinwekkend vond, vooral door zijn spraakgebruik, dat ik hem na de eerste woorden meteen ook haatte. Ik voelde me erg opgelucht dat ik die man haatte.'

``In het najaar van '74 werd ik ineens door een depressie overvallen die een flink aantal jaar heeft geduurd. Ik heb mijn depressie, die met panische angsttoestanden ging gepaard, zelf een 'postcalvinistisch syndroom' genoemd, omdat ik de ontstaansgeschiedenis ervan tot in mijn jeugd kon nagaan. Door de dagelijkse verkondiging van het Woord, met z'n vreselijke straffen en z'n eeuwige verdoemenis, werd ik al vroeg bang gemaakt. Ik bedoel niet dat ik mijzelf beklaag of het mijn ouders kwalijk heb genomen. Mijn vader en moeder waren liefhebbende, zorgzame ouders en het ontbrak bij ons thuis ook niet aan innigheid of gezelligheid. Ik zag mijzelf en mijn ouders ook al vroeg als 'historisch', dat wil zeggen als produkten van een ontwikkeling waarvoor je niemand verantwoordelijk kon stellen. Ik heb aan mijn calvinistische jeugd ook veel te danken gehad. Mijn jeugd was 'schriftuurlijk'. Ik werd als kind met voorstellingen en een spraakgebruik geconfronteerd, die mij aan het denken zetten en waartegen ik mij tegelijk verweerde. De ziel met haar vermeende onsterflijkheid speelde daarin een centrale rol. Ik heb dat begrip altijd te abstract en statisch gevonden en ben het geleidelijk gaan vervangen door de eigen voorstelling van een 'innerlijke ruimte' die zich kon uitbreiden.

Die uitbreidingen traden bij mij schoksgewijs op, de eerste omstreeks mijn dertiende jaar, door de muziek die mijn oudere broer op het huisorgel begon te spelen. Sweelinck, Buxtehude en vooral Bach. Op mijn vijftiende ontdekte ik dat ik kon masturberen, waardoor ik een begrip kreeg van de 'seksualiteit' waarover zo vaak toespelingen werden gemaakt en die schuilging achter veel verhalen uit het Oude Testament. Jakob had veertien jaar moeten werken om met Rachel te mogen trouwen. Dat betekende toch op z'n minst dat een vrouw een heel kostbaar bezit voor een man was.

Pas op mijn zeventiende ontdekte ik de poezie door mijn kennismaking met het werk van de Tachtigers. Wat mij aansprak was vooral het geprononceerde individualisme, het recht op ene eigen autonome persoonlijkheid. Dat werkte bevrijdend en rechtvaardigde ook mijn jeugdige verzet tegen het geestelijke klimaat van mijn omgeving. Ik begon toen ook zelf gedichten te schrijven, een ingrijpende en mij geheel in beslag nemende bezigheid die mij ongeschikt maakte voor de voorbereiding op een 'carriere'. Ik herkende die ongeschiktheid later ook in anderen. Dichters zijn vooral ook individuen die moeite hebben met de beroepkeuze. Hun maatschappelijke functie blijft in hoge mate onzeker en dat is misschien maar goed ook.'

Sonnet op de inspiratie

Ik had allang van andere dingen willen zingen

dan van wat dichters meestal zo gelukkig maakt:

sonnetten op de jongen die zijn longen braakt,

rondelen op de velen die aan kanker gingen.

Vervloeking, ontucht, oorlog, ziekte, vrouwenleugen

zouden de rijmen vormen van 't verwoestend lied

dat maling had aan zotte nymphen in het riet,

aan boezemrozen die niet voor mijn walging deugen.

Voor mij, ditmaal, de breuk die uit de liezen puilt,

het zwerend kind dat in de achterbuurten huilt,

de oude vrouw die van haar suiker wil genezen.

Ik ving ze in mijn vers als ratten in een kooi,

en zou ze martelen, al is geen doodstrijd mooi;

maar 't zou hartgrondiger dan tijdverpozing wezen.

(Uit de onlangs verschenen 'Verzamelde gedichten'.)

De klank, zwenkingen en kleuren van een stem zijn Morrien nog niet genoeg, je zou een stem - bij voorkeur die van een beminde vrouw - ook moeten kunnen zien. De voorstelling of fantasie van zien en horen tegelijkertijd trof Morrien in Baudelaires sonnet 'Correspondances' en later bij Jan Hanlo, die hem over zijn verblijf in een psychiatrische kliniek vertelde.

``Er is een tweede werkelijkheid die je door angst of door vervoering kunt beleven. Angst als signaalfunctie voor dreigend gevaar neem je uit je kinderjaren mee. Bij dieren heeft angst waarschijnlijk uitsluitend een signaalfunctie, bij de mens is angst verinnerlijkt.''

Morrien kan ook verliefd worden, heel snel zelfs. ``Verliefheid is een overgangsgevoel, een sprong van nuchterheid naar extase. Verliefdheid is per definitie incidenteel, een preludium. Er kan niks op volgen, of wel wat. Verliefdheid behoort tot het vuurwerk, maar het verplicht nog tot niks. Er kan een nieuwe verliefdheid ontstaan, of genegenheid en kameraadschap. Het uit zich bij mannen vaak in een vorm van gedrag die je ook bij de Amsterdamse doffers waarneemt. Moet je die smerige duiven zien, met hun hoge, bijna snuivende borst. Het moet heftig zijn he, anders gebeurt het niet.''

Van verbittering heeft Morrien weinig last. Je hebt er niets aan, niemand die het wat kan schelen als je verbitterd bent, je hebt alleen jezelf er mee. Dat is trouwens ook een kwestie van intelligentie: dank zij het verstand kun je dingen overzien en tot op zekere hoogte ontraadselen of voorkomen. Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar het verstand moet het gevoel sturen. Aan de andere kant is het gevoel moediger dan het verstand. En dan is er ook nog intuitie. Morrien vindt het nog steeds even ondoorgrondelijk als wonderbaarlijk dat je een handeling verricht, bliksemsnel en toch heel precies, waardoor je een beschadiging of verwonding voorkomt. Je begrijpt niet hoe verfijnd dat in de hersens geschakeld is. Hij ziet dat bij 'goede voetballers als Bergkamp', zo'n voetbalintuitie die heel veel op inspiratie lijkt. Moet de voetballer op televisie uitleggen waarom hij op dat moment die beweging maakte, dan weet-ie het niet.

Vraag een dichter ook maar beter niet hoe hij dicht, want dan blijkt dat hij dat staande op een traptree of zittend in kroeg of Artis doet. ``Opeens heb je een regel, die schrijf je op. En opeens komen er zeven regels achteraan. Je moet een begin hebben, natuurlijk. Ik vroeg eens aan Gerrit Achterberg, die nogal methodisch werkte, hoe dat nou precies ging. Achterberg zweeg enkele ogenblikken, keek mij geheimzinnig en doordringend aan en antwoordde: 'Vind je goed, Adriaan, dat we daar over zwijgen?'

Hij beschouwt zichzelf als een tamelijk zorgeloos mens. ``Tja, ik ga waarschijnlijk binnen een paar jaar dood. Het is ook een grote weldaad om dood te gaan. Mensen zijn niet dankbaar genoeg dat ze dood gaan! De spanning zou er toch af zijn als niemand meer dood ging?

Alle godsdiensten hebben mensen met de dood gechanteerd, alle verzuimden te vertellen dat eindigheid een van de grootste attracties van het leven uitmaakt. De dood is een beul, hij maait je neer, maar hij is ook een bevrijder.'

Oude ogen

Sneller komen de tranen. Jawel,

je bent ook werkelijk ontroerd.

Maar vroeger kon je ontroerd zijn

met droge ogen. Niemand zag het je aan.

En wat betekent dat nevelige

soms, langs je ogen? Dat je nog blind wordt

als je maar lang genoeg leeft?

Zien en inzien neemt waarschijnlijk de grootste plek in Morriens innerlijke ruimte in. Een notitieflard uit 'Plantage Muidergracht':

``Op mijn achttiende las ik in Also sprach Zarathustra: Ist es nicht besser, in die Hande eines Morders zu geraten, als in die Traume eines brunstigen Weibes?' Misschien wel, dacht ik, maar laat mij eerst maar 'in die Traume eines brunstigen Weibes geraten''.

En:

``Ik kan in extase raken over een vrouw die door iedereen onopvallend of zelfs lelijk wordt gevonden. Het moet natuurlijk geen monster zijn, hoewel een zekere monstruositeit, zoals buitensporige dikte of uitzonderlijke lengte, of ook heel grote borsten, erg aantrekkelijk kan zijn. Wie nooit heeft begeerd aan een geweldige borst te liggen, heeft niet een lekkere moeder gehad, of heeft nooit gedroomd van reuzinnen in wier handen zelfs de sterkste man een kind wordt, een stuk speelgoed waarmee haar vingers kunnen doen wat zij wil. Het behoort juist tot de 'mystiek' van de liefde dat wij ons tot een stuk speelgoed maken en ons uitleveren aan wat buiten het bed een kwelling zou zijn of een strafoefening. Daarom kan opstaan uit een bed waarin wij genotvolle uren hebben doorgebracht soms zo ontnuchterend zijn, alsof alles ontwricht is en wij prijsgegeven zijn aan onze onvoltooidheid en weerloze zelfstandigheid.''

Dan is er nog de gesteldheid of gemoedstoestand die ernst heet. Misschien wel de gewichtigste van allemaal. Nederlandse schrijvers hebben, om het maar even onderkoeld te houden, 'moeite met hun ernst'. Morrien weet precies waar de wegen zich onherroepelijk scheiden: de ene voert naar cynisme, de andere langs overdreven grappigheid. Weet uitgerekend volksschrijver Gerard Reve die twee grootheden niet tot Glorieus Geouwehoer samen te smeden?

``Ik zie Reve alleen nog op de tv en merk dan dat hij nog altijd bol staat van de zelfgeschapen retoriek, waarvan de originaliteit, de uitzonderlijkheid en ook het geestige voor mijn gevoel totaal versleten zijn. Dat zuinige smoelwerk van 'm, die stereotiepen waarna een grapje en een grijns volgen - eigenlijk vind ik het intens treurig. Het maakt me triest: Jezus, wat is dat voor man? En dan is het ook nog zo'n gauwdief. Je kunt hem nergens op betrappen en toch schuilt in hem een aartsreactionair. Dat werkt verwarrend. Als auteur moet je een beetje op je woorden passen, nietwaar?''

Of Morrien nog een bericht voor de rest van de mensheid heeft misschien? De schrijver nipt aan z'n witte wijn, blikt even naar het plafond en zegt: ``Je kunt verschijnselen van vooruitgang registreren. Dat je hier in Nederland met zo veel vrijheid en - nog steeds - tolerantie woont, waar nog net iets meer dan de helft van de mensen niet vindt dat er te veel buitenlanders in Nederland wonen. En toch is de mens natuurlijk niet te vertrouwen. Zelfverheffing, waarheidspretentie. Je kunt de rooms-katholieke kerk nog steeds verwijten dat zij geen schuld heeft bekend, niet alleen tegenover de joden maar ook tegen zogenaamde heidenen en afwijkende christenen. Het enige behoud van de mensheid is een humanistische gesteldheid en het besef dat de mensheid elke generatie opnieuw gehumaniseerd moet worden. Een humanisme dat nooit als voldongen kan worden beschouwd maar telkens opnieuw veroverd en in stand moet worden gehouden.''

``Kijk die plataan daar, die is heel groot, niet zwaarwichtig en toch standvastig. Hij praat met de wind. Er komen steeds opnieuw vogels op z'n takken zitten. Bomen en vogels hebben een bijzondere verstandhouding met elkaar: de een kan niet van z'n plaats, de ander moet steeds van z'n plaats.''
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat