Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 166
Auteur(s): Fernando Pessoa
Titel: Het boek der rusteloosheid
Door Bernardo Soares
Recensent: Ger Groot
Bron: NRC Handelsblad
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 27-1-2007
Waardering: geen waardering bekend


Ook kantoorbodes moeten sterven
Fernando Pessoa: Boek der rusteloosheid. Vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, 646 blz. euro 31,50


De Portugese schrijver Fernando Pessoa beschouwde zijn semi-heteroniem Bernardo Soares als een verminking van zijn eigen persoonlijkheid. Zelden schreef hij mooier over het drama van de gewone man.

Lissabon moet voor Bernardo Soares een stad van regen, lage luchten en onweer zijn geweest. Keer op keer stelt hij in zijn Boek der rusteloosheid vast hoe de lucht betrekt, de druppels miezerig vallen of een donderslag de middagloomte doorbreekt. Een enkele keer spreekt hij over de zomerwarmte, maar bijna steeds is zijn Lissabon grijs-betrokken. Die stad is zijn wereld. Zelden komt hij er buiten en dan schijnt zelfs een kort treintraject hem bijna een wereldreis toe.

Zijn universum is de hoofdstad, waar zijn leven zich concentreert in zijn huurkamer en vooral in de stoffenhandel Vasques & Co, waar hij als hulpboekhouder zijn dagen slijt. ``Achter in het kantoor hield de bode heel even het touw rond zijn eeuwige pakje stil', schrijft hij op een dag. ``Het donker werd zwart van stilte. En ineens levend staal.' Het onweert, waarna de stad herleeft. ``Het metalige tingelen van de trams! Wat een vrolijk landschap de simpele regen in de uit de afgrond herrezen straat!' En bijna gelukkig verzucht hij: ``O Lissabon, mijn thuis!'

Die laatste ontboezeming had ook die van Fernando Pessoa zelf kunnen zijn, de man die zich in het begin van het boek voorstelt als de bezorger van Soares' Autobiografie zonder feiten, zoals hij diens nagelaten bekentenissen betitelt. Er zijn nogal wat overeenkomsten tussen Pessoa en Soares. Beiden werkten op een handelskantoor, al nam Pessoa als correspondent en soms zelfs ondernemer duidelijk een hogere positie in. Beiden woonden hun hele leven op kamers en voelden zich ongemakkelijk in de omgang met vrouwen. Allebei waren ze vreemde verschijningen die niet helemaal in de samenleving leken te passen. En beiden waren hartstochtelijk verknocht aan Lissabon, hun thuis.

Geen wonder dat Pessoa, die zichzelf in zijn werk opsplitste in talrijke heteroniemen, elk met een eigen karakter, in een kort voor zijn dood geschreven brief een bijzondere status aan Soares verleent. Hij wil hem dan hoogstens een ``semi-heteroniem' noemen, ``omdat zijn persoonlijkheid weliswaar niet samenvalt met de mijne, maar ook niet anders is. Je zou hem een verminking van mijn persoonlijkheid kunnen noemen. Ik ben het, zonder mijn verstand en gevoelsleven.'

Toch is er wel meer dat hen onderscheidt en dat gaat verder dan de afkeer van poëzie waarvan Bernardo Soares nadrukkelijk melding maakt. Ondanks zijn onaangepastheid was Pessoa uiterst actief betrokken bij het Portugese literaire leven, met af en toe een uitstapje naar de politiek. Aan de dadendrang die bij Soares zo nadrukkelijk afwezig is, ontbrak het hem allerminst. Maar wel kon hij lijden aan een neerslachtigheid, die hem in oktober 1914 doet schrijven: ``Mijn geestestoestand wordt momenteel bepaald door een diepe, kalme depressie. Ik bevind mij al dagen op het niveau van het Boek der rusteloosheid. En ik heb er ook aan geschreven. Vandaag nog een heel hoofdstuk.'

Twee jaar daarvoor was hij begonnen aan het boek dat zijn magnum opus in proza zou moeten worden. Van Bernardo Soares is dan nog geen sprake. Aanvankelijk creëert Pessoa er de figuur van Vicente Guedes voor: een dandy zonder duidelijke bron van inkomsten, die het nietsdoen tot kunst verheven heeft. In de lijn van het decadente symbolisme schrijft Pessoa de eerste stukken voor het Boek der rusteloosheid. Het zijn nogal geëxalteerde uitbarstingen met een flirt naar mystiek, hymnische litanieën of een treurmars voor de Beierse sprookjesvorst Ludwig II.

Er waren een modernistische doorbraak en een schrijfpauze van vijftien jaar voor nodig om Pessoa van dit spoor én van Vicente Guedes af te helpen. Tegen het eind van de jaren twintig begint hij opnieuw aan zijn boek en nu is Bernardo Soares er de semi-heteronieme ``auteur' van. Geen dandy meer, maar een wat sjofele man zonder veel sociaal of familieleven; Pessoa maakt hem op jonge leeftijd wees. Des te sterker gaat hij op in zijn werkkring met ``baas Vasques', zijn directe chef boekhouder Moreira en de nodige bodes en bedienden.

Voor zover zijn vermogen daartoe reikt, is Soares gelukkig op het kantoor aan de Rua dos Douradores, vierde verdieping, maar nooit zonder voorbehoud. Soms droomt hij al met pensioen te zijn, alleen om met droevige nostalgie te kunnen terugverlangen naar die betere dagen. Want ook ruim vijftien jaar later blijft in het Boek der rusteloosheid de depressieve sfeer overheersen die Pessoa in 1914 al bij zichzelf constateerde. Soms moet de schrijver zelf met enige ironie vaststellen: ``Dit boek is één grote klaagzang'. En Lissabon huilt met hem mee, wanneer de lucht weer eens op regenen staat.

Van Vicente Guedes heeft Bernardo Soares ook de levensafzijdigheid behouden waarmee Pessoa in hem een werkelijk literair type geschapen heeft. Zoals Oblomov de incarnatie is geworden van de luiheid, Hamlet die van de aarzeling en Candide die van het optimisme, zo groeit Soares in dit boek uit tot de belichaming van de man die geen leven heeft en ook niet wil hebben. ``Het is verheven schuchter te zijn,' zo schrijft hij, ``eminent niet te kunnen handelen, groots geen aanleg te hebben voor het leven.' Zo versmelt Soares met zijn onopvallende alledaagsheid en de banaliteit van zijn monotone bedoeningen en wordt hij het embleem van een ``meneer iedereen'.

Liefde kent deze solitair niet, noch zoekt hij haar. ``De onanist is abject, maar nauwkeurig bezien is de onanist de volmaakte, logische uitdrukking van de verliefde. Hij is de enige die niet veinst of zichzelf bedriegt', zo tekent hij aan. Hij houdt zijn gevoelsleven opzettelijk beperkt (``Een zonsondergang is een verstandelijk fenomeen') en als in hem wel eens een sentiment opwelt, dan heeft ook dat betrekking op het banaalste: ``Toen ik vandaag door de Rua Nova do Almada liep, viel mijn oog ineens op de rug van de man voor mij. [...] Ik voelde plotseling iets als tederheid voor die man. De vertedering die je voelt voor de algemene menselijke gewoonheid [...] van het gezinshoofd dat naar zijn werk gaat [...], voor de dierlijke natuurlijkheid van die geklede rug.'

Maar achter de façade van Soares' nulliteit woedt de rusteloosheid die het boek zijn naam gaf. Bernardo Soares leeft geheel voor zijn dromen, waarin hij even gemakkelijk een keizer als een filosoof kan zijn. ``Sluit je op in je ivoren toren, maar sla de deur niet achter je dicht. En je ivoren toren ben jezelf,' tekent hij aan. Daartoe ziet hij bewust af van het leven, waartegenover hij een zorgvuldig gekoesterde weerzin ontwikkelt en die hem allergisch maakt voor wereldkennis en verre reizen. ``Dromen over Bordeaux', schrijft hij, ``is niet alleen beter maar ook waarachtiger dan uit de trein stappen in Bordeaux.'

De ``autobiografie zonder feiten' die Pessoa bij het schrijven van het Boek der rusteloosheid voor ogen stond, wordt daarmee vanzelf een lange reeks van mijmeringen, waarin Bernardo Soares niet alleen zijn fantasie maar vooral zijn hang naar beschouwelijkheid de vrije teugel geeft. Ieder miniem voorval in zijn leven kan daartoe aanleiding geven, van een beginnend motregentje tot het plotselinge verschijnen van een bediende op het lege kantoor.

``Het zware grootboek', schrijft hij, ``ligt geopend voor me op het schuine blad van de oude lessenaar en ik sla er samen met mijn vermoeide ogen een nog vermoeider ziel van op [...] Bij het registreren van een stof die ik niet ken, openen zich voor mij de poorten van de Indus en Samarkand, en de poëzie van Perzië, die tot geen van beide oorden behoort, vormt [...] een verre steun voor mijn rusteloosheid.' Maar, zo vervolgt hij dan plotseling weer alledaags, ``ik maak geen fouten, ik schrijf en tel op zoals het een bediende betaamt, en de boekhouding krijgt haar normale beslag.'

Zo keert de rêverie van Soares steeds weer terug naar de Rua dos Douradores, zo gewoontjes dat iedere zielsbevlieging er vanzelf iets komisch door krijgt. ``Soms wekt mijn eigen onbeduidende droom ontzetting over het innerlijk leven bij mij fysieke walging voor mysticismen en beschouwingen', zo peinst hij. ``Met hoeveel haast ren ik dan van huis, waar ik zo droom, naar kantoor; en dan zie ik het gezicht van Moreira alsof ik eindelijk een veilige haven binnenvaar. Al met al verkies ik Moreira boven de sterrenwereld.'

Het aangrijpendst is Bernardo Soares op het scherp van de snede tussen die droombevliegingen en de realiteit die hen weerspreekt. Dan wordt zijn figuur een concrete gestalte, gebogen over het grootboek of haastig zijn hoed pakkend wanneer baas Vasques het personeel met een enkel woord laat gaan. Helemaal zonder levensfeiten kan ook deze levensbeschrijving van een levenloos man het nu eenmaal niet stellen. Juist de frictie tussen Soares' hoge gedachten en zijn beuzelachtig bestaan maken van hem de persoon die bijblijft, hoe ongrijpbaar hij in zijn anonimiteit ook is.

Wellicht was die ongrijpbaarheid ook het ideaal van Pessoa en schiep hij dit semi-heteroniem om sommige van zijn eigen karaktertrekken voor zijn lezer te verhelen. Bijna verbeten laat hij, bij monde van Bernardo Soares, weten niet te geloven dat iemand anders hem ooit werkelijk zal begrijpen. Die mogelijkheid is niet alleen onbestaanbaar, maar zou zelfs even ongepast als onverdraaglijk zijn.

Nog veelzeggender is Soares' onvermogen - en zelfs onwil - om de taken die hij zichzelf heeft opgelegd tot een goed einde te brengen. ``Ik zal dan ergens in een huisje in een buitenwijk vreedzaam genieten van een rust', zo mijmert hij over zijn latere pensioen, ``waarin ik het oeuvre niet tot stand zal brengen dat ik ook nu niet tot stand breng.' Berucht was de neiging van Pessoa om projecten en voornemens half-afgemaakt te laten verslonzen en ook het Boek der rusteloosheid is uiteindelijk onvoltooid gebleven. Het heeft na zijn dood in 1935 bijna vijftig jaar moeten duren voordat er in Portugal een eerste uitgave van verscheen.

Sindsdien is de ene editie de andere opgevolgd, uitgebreid met nieuw-gevonden materiaal of juist geschoond van wat daartoe ten onrechte gerekend werd. Vijftien jaar geleden verscheen voor het eerst een Nederlandse bloemlezing uit Het boek der rusteloosheid, gebaseerd op de eerste uitgave. De nieuwe vertaling die nu is uitgebracht kan - op basis van de nieuwste Portugese edities - als ``volledig' gelden, voor zover daarvan ooit sprake kan zijn bij een boek dat uit honderden aantekeningen en kladjes is samengesteld.

Het onaffe karakter daarvan is aan bijna iedere bladzijde af te lezen. Fragmenten breken af midden in een zin, woorden ontbreken en vaak is de samenhang van de opeenvolgende brokstukken ver te zoeken. De lezer moet in het boek zijn eigen weg vinden en kan daar maar beter de tijd voor nemen. Het Boek der rusteloosheid leent zich slecht voor straf doorlezen van kaft tot kaft. Daarvoor zwalkt het te veel en worden de herhalingen te opvallend.

Zo desoriënterend als dit nog in de steigers staande boek mag zijn, zo avontuurlijk is het ook daarin rond te dwalen en verrast te worden door een plotselinge beschrijving of overpeinzing, even raak en bondig als die van de beste aforismen-schrijvers. Niet alles in deze nieuwe editie, die bijna de helft langer is dan de vroegere, voldoet aan die hoge standaard die Pessoa zelf bij de tekstselectie nu eenmaal nooit heeft kunnen aanleggen. Wel is opvallend hoeveel soepeler de vertaling van Harrie Lemmens geworden is. Minder zwaar en omslachtig, minder plechtig ook, weerklinkt in de taal van Pessoa/Soares nu de boekhouders-alledaagsheid die, met haar onvermoede diepten, uiteindelijk altijd weer terugkeert naar het grootboek.

Zelden beschreef Pessoa het drama van de gewone man mooier dan in een fragment van 16 december 1931: ``Vandaag is, naar men zegt voorgoed, de zogenaamde bode van kantoor teruggekeerd naar zijn geboortedorp, de man die ik steeds als een deel van dit menselijke huis en dus als een deel van mijzelf en mijn wereld heb beschouwd.' Niets van wat ooit in ons was, zo mijmert hij verder, gaat weg zonder dat daarmee iets van onszelf verdwijnt. Zo ook de bode, wiens vertrek aan het eind van iedere alinea als een klagend refrein wordt herhaald.

Klinkt dat, eenmaal in de vierde alinea, nog altijd als een treurzang? Of wordt die ongewild komisch, met de droge humor die in dit boek zo gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien? De tekst zelf lijkt tussen die twee mogelijkheden te aarzelen: een tragedie die door haar loutere herhaling vanzelf grappig dreigt te worden. ``Wanneer voor mij de geluidloze klok van de dood of het weggaan luidt zal ook ik iemand zijn die hier niet meer is, een oud kopieboek dat wordt opgeborgen in de archiefkast onder de trap,' zo schrijft Pessoa.. ``Mijn God, mijn God, de bode van kantoor is weggegaan.'

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat