Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 178
Auteur(s): Matthieu Galey
Titel: Dagboek
1953 - 1986
Recensent: Hanneke Wijgh
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 26-2-2007
Waardering: geen waardering bekend


Kamertrapezist zonder publiek en vangnet
Toen het dagboek van Galey na zijn dood in twee delen in Frankrijk werd gepubliceerd, leidde dat tot veel ophef in de literaire kringen. Men viel, in het nog altijd preutse Frankrijk, over de openhartigheid waarmee Galey zijn talrijke homoseksuele escapade beschreef, maar nog bedreigender waren zijn meedogenloze observaties van het literaire leven, dat Galey als recensent van onder meer Combat en L'Expres, als vertaler en medewerker van de uitgeverij Grasset en als presentator van een radioprogramma van zeer dichtbij had meegemaakt.

Zijn ontmoetingen met schrijvers als Aragon, Yourcenar, Mauriac, Genet, Green en Jouhandeau had Galey in de nachtelijke uren geboekstaafd, in het voetspoor van Edmond en Jules de Goncourt, met bijna evenveel precisie als venijn. Zo noteerde hij over Francois Mauriac, die hij tijdens een pianoconcert in de Salle Gaveau had bestudeerd: "Zijn lange vingers kruipen als slangen over zijn schedel. Zijn hals, als van een parelhoen, steekt uit zijn bontkraag. Hij doet denken aan een prehistorisch dier, half reptiel, half vogel." En over Eugene Ionesco: "Hij heeft de kop van een clown met een kaal punthoofd en zwarte duivevleugeltjes boven zijn oren. Blauwe ogen, een grote neus, een dikke onderlip. Als hij lacht staat zijn gezicht echt fratelliaans, maar herneemt zonder overgang weer de spijtige uitdrukking van de trieste grappenmaker."

Wie zo raak schrijvers als Mauriac en Ionesco weet te typeren, moet over een opmerkelijk talent beschikken. Dat had Galey ook. Iedereen in zijn omgeving verwachtte dat hij ooit een roman zou publiceren, vooral omdat hij literair gezien op een goudmijn leefde: "Ik sluimer nu als zesenveertig jaar op een schat. Homoseksueel en half joods, welke romancier zou er niet heel wat voor geven om dat kapitaal te bezitten?"

Toch schreef Galey geen roman. (Hij publiceerde wel een bundel met verhalen en een lang vraaggesprek met Marguerite Yourcenar, 'Met open ogen', dat ook in Nederland is uitgekomen.) Hij zag er het nut niet van in, zoals hij heel prozasch op 28 september 1977 in zijn dagboek schreef, na een gesprek met de uitgever Bernard Privat, die op de publikatie van een roman had aangedrongen. "Als 95 % van de romanciers erwten zouden hebben verbouwd, in plaats van te zitten zwoegen op boeken die onmiddellijk na verschijnen vergeten worden, zou de literatuur geen jota veranderd zijn."

Na het lezen van zijn dagboek denk ik ook niet dat er een echte romanschrijver aan Galey verloren is gegaan. Behalve geestig en scherpzinnig was hij ook ijdel en oppervlakkig, met een voorkeur voor de hedonistische kant van het leven. Daar is niets op tegen maar voor een roman moet je meer in huis hebben dan een geslepen pen en luchtige filosofietjes als: "Zo loopt het leven weg als een ladder in een kous" en "Liefdesbrief, bankbiljet van het hart."

Wat het dagboek van Galey toch bijzonder maakt, is zijn vroege confrontatie met de dood. Op 24 januari 1984 bezoekt hij een specialist, na maanden van vage maar aanhoudende klachten. Een maand later hoort hij de uitslag. Hij lijdt aan de ziekte van Charcot, een langzaam voortsluipende verlamming van de spieren. Galey weet eerst niet goed hoe hij, tussen alle aids-slachtoffers, moet reageren, cynisch of komisch: "Alsof ik midden in de grote pestepidemie roodvonk heb opgelopen." Maar als gauw wint zijn gevoel van sereniteit. Hij wil niet in gejammer ten onder gaan.

Dat doet Galey ook niet. Wat hij die twee laatste jaren noteert over zijn toenemende invaliditeit en hulpbehoevendheid getuigt van grote moed en luciditeit. Nergens slaat hij meer de verkeerde toon aan, hij beziet zijn lot met deernis, ( "Ik ben mijn rechterschouder kwijt. In de plaats daarvan heb ik nu een zoutvaatje in mijn rug" ) maar klaagt niet. Hij reist nog zoveel mogelijk, onder andere naar Zuid-Amerika en China. Tussen de regels door doet hij verslag van het voortsluipende monster dat zijn leven bedreigt. "Sinds ik me verplaats met het gemak van een zeeleeuw, ben ik een acrobaat. Elk meubel is een een gymnastiektoestel, een rekstok of een brug. Ik ben een kamertrapezist, zonder publiek en zonder vangnet."

Twee weken voor zijn dood reist hij nog een keer naar Londen, waar hij met zijn vriend in het Savoy logeert, "het summum van luxe" , volgens Galey. "De bedienden in jacquet, dikke tapijten, de warme kleuren, meuibilair van nootwortel, zoals het dashboard van een Rolls, en spiegels over de gehele wand. Helaas kan ik mezelf erin zien. Alles verliest er zijn luister door..." Op 23 februari 1986 noteert Galey met bibberende hand: "Laatste beeld: het sneeuwt. Onbevlekte hemelvaart." In de uitgave van Prive-Domein is ook een foto opgenomen van deze allerlaatste krabbel. Hij ging dood zoals hij gehoopt had, met grote waardigheid.

Door dit ontroerende slot wordt het dagboek ook een monument voor mensen die niet vertrouwd zijn met de hedendaagse Franse letteren, bij wie geen enkel lampje gaat knipperen bij namen als Roger Caillois en Jacques Chardonne. Het einde tilt het dagboek ook uit boven de trivialiteit van het leven en zelfs de literatuur. Ooit dacht Galey dat hij alleen via een roman eeuwige roem kon vergaren. "Geen mens zal zich zelfs mijn naam herinneren, twee of drie jaar na mijn dood - of zelfs maar mijn stilzwijgen." Daar heeft Galey zich gelukkig in vergist.
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat