Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 259
Auteur(s): André Gide
Titel: Het innerlijk blauw
Een keuze uit het dagboek 1918 - 1939
Recensent: Dirk Leyman
Bron: De Morgen
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 12-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


'Verontrusten, dat is mijn rol'
"Les extrêmes me touchent", heeft André Gide over zichzelf gezegd. Zelden heeft een schrijver zo geworsteld met zijn gespletenheid en er zo minutieus verslag van gedaan als Gide. De invloedrijke maître à penser van de Franse letteren toonde zich al vroeg bewust van de merkwaardige bochten waartoe zijn karakter, homoseksuele geaardheid én calvinistische opvoeding hem dwongen. Zijn complexe oeuvre leest als een amper versluierde zelfanalyse. Met mateloze literaire ambitie probeerde hij zijn talrijke paradoxen met elkaar te verzoenen.

Tussen de Gide van L'immoraliste (1902) en die van La porte étroite (1909) gaapte bijvoorbeeld een hemelsbrede kloof, alsof hij tegengestelde, morele pistes wilde uittesten. L'immoraliste bevat een suggestief pleidooi voor een teugelloos streven naar genot en geluk en is sterk beïnvloed door Nietzsche. La porte étroite is onverholen mystiek en puriteins van teneur. "Om een enigszins gelijkend portret van u te krijgen, zou je ze allemaal tegelijk moeten lezen", merkte de kunstschilder Jacques Raverat op over Gides romans. Gide beaamde dat, want hij was er dol op om zichzelf tegen te spreken: "Verontrusten, dat is mijn rol."

Vanwege die neiging werd Gide door zijn vrienden gekscherend 'Bypeed' (van het woord 'bipède') genoemd: een tweevoeter. "Gide laat zich niet vastzuigen aan de klei of wegzakken in de woestijngrond, maar danst van de ene op de andere voet", zo schrijft vertaalster Mirjam de Veth in een fraai biografisch portret in De parelduiker. "Vandaar dat sommigen mij beschuldigen van besluiteloosheid en van onzekerheid, juist omdat ik heb gemeend dat het belangrijk is vooral aan mezelf trouw te blijven", poneerde Gide.

Gides persoonlijkheid mocht dan wel vol bedachtzaamheid zitten, hij was begiftigd met een uitbundige levenslust en beschouwde zichzelf ook als een genotszoeker: "Ik ben misschien alleen maar een avonturier", noteert hij in 1924. Wanneer zijn leven voortkabbelt en hij zich ingesnoerd voelt, moet hij ervandoor: "Ik ben een vis van de wilde stroom, ik stik in dit al te rustige water." Gide was een onvermoeibaar reiziger: "Van alle grote reizen die ik niet heb gemaakt is me een soort wroeging bijgebleven."

De noord- en zuidpolen van zijn karakter verklaarde hij wel eens door zijn afkomst. Zijn streng protestantse moeder was afkomstig uit een Normandisch fabrikantengezin uit Rouen en was verantwoordelijk voor zijn ingetoomde natuur. Zijn vader, de rechtenhoogleraar Paul Gide, had zijn wortels in het meditterane Uzès, de plek waaraan hij zijn zuiders temperament toeschreef. "O Uzès, mijn stadje! Als je in Umbrië zou liggen zouden de toeristen uit Parijs toestromen om je te bezichtigen!" De synthese én het epicentrum van zijn leven werden uiteindelijk ge- vormd door zijn geboortestad Parijs en de omgeving van de Jardin du Luxembourg, waar hij steeds naar terugkeerde.

Kwalijke gewoonten

In de nieuwe vertaling Niet als de anderen, beter bekend onder de titel Si le grain ne meurt (1926), maakt Gide een balans op van zijn eerste 25 levensjaren. Het is een met zwier geschreven verslag, tegelijk zintuiglijk én spiritueel, met weinig respect voor de chronologie. Soms is hij verrassend openhartig, een paar keer hoogst verbloemend. Nochtans wil Gide zich in deze memoires niet mooier voordoen dan hij is, zo benadrukt hij: "Niet door er iets aardigs bij te verzinnen en ook niet door iets onaangenaams te verhullen." Op de eerste pagina's vertelt hij meteen hoe hij als kind met het zoontje van de conciërge "onder een afhangend tafelkleed" de wederzijdse onanie bedrijft, terwijl zijn kindermeisje hem zoekt: "We rammelden met wat speelgoed dat we voor de schijn hadden meegenomen. In werkelijkheid amuseerden we ons heel anders: dicht tegen elkaar aan, maar niet bij elkaar, gaven we ons over aan wat, naar ik later hoor- de, 'kwalijke gewoonten' werden genoemd."

"Op die onschuldige leeftijd waarop men een kind graag louter als een open, teer en zuiver zieltje ziet" herinnert Gide zichzelf als "teruggetrokken, lelijk en achterbaks". Op wandel in de Jardin du Luxembourg vertrappelt hij met kwaadaardig genot de zandtaartjes van spelende kinderen. Op zijn vierde zet hij "heel hard" zijn tanden in de blote schouder van zijn nicht. Als enig kind is hij vaak eenzaam op het Parijse appartement van zijn ouders. Zijn uiterst plichtsbewuste moeder zit hem dicht op de huid. Haar bedilzucht zal later tot veel irritatie leiden: wanneer hij voor het eerst op reis gaat, achtervolgt ze hem zelfs met een koets. Zijn hardwerkende, minzame vader blijft op de achtergrond. Wanneer Gide elf is, sterft hij aan een verwaarloosde darmtuberculose. De jonge Gide lijkt de draagwijde van de gebeurtenis niet goed te beseffen. Voor zijn schoolopleiding is het nefast. Zijn moeder neemt hem eerst mee naar Rouen en brengt hem later onder in een gymnasium in Montpellier, waar het welgemanierde stadsjongetje - weliswaar tuk op vissen en botaniseren - bijna weggepest wordt. Met overspannen zenuwen komt hij in een kuuroord terecht en pas op zijn zestiende, wanneer hij weer in Parijs belandt, opent zich de geliefde wereld van cultuur en boeken. Gide was al vroeg in de ban van de klassieken en sluit in Parijs ook zijn eerste echte vriendschap: de schrijver Pierre Louÿs, die later bekendheid verwierf als erotomaan en auteur van Les chansons de Bilitis.

Slechts langzaam slaagt Gide erin "de dichte duisternis te doorbreken waarin ik in mijn onnozelheid gehuld bleef". Dat had veel te maken met de alles ontregelende verliefdheid die hem overvalt voor zijn nichtje Madeleine. Hij treft haar in tranen nadat ze het overspel van haar moeder, zijn bloedmooie tante Mathilde, ontdekt. Nu is het alsof Gide een lotsbestemming vindt, "een nieuw richtsnoer". Hij wil Madeleine troosten én onvoorwaardelijk liefhebben. Hij verliest zich in Schwärmerei: "De bijzondere belangstelling die ik nu overal in stelde kwam vooral voort uit het feit dat ik Emmanuèle (Madeleine) voortaan altijd bij me voelde. (...) Mijn vreugde was pas volmaakt als zij die deelde. In de boeken die ik las schreef ik haar voorletter naast iedere zin die ik treffend, mooi of behartenswaardig vond."

Gevechten tegen de 'neigingen'

Gides drang naar de literatuur krijgt meteen vleugels: "Schrijven! Ach, wat een dolle vreugde, wat een hartstocht... niet voorbijgaan als een loze schim, die geen enkel spoor nalaat." Zijn geëxalteerde debuut Les cahiers d'André Walter (1891) concipieert hij als een vermomd huwelijksaanzoek aan Madeleine. Maar Madeleine weigert en ook zijn moeder staat huiverachtig tegenover deze dichte familiale verbintenis. Pas na haar dood, in 1895, kan het huwelijk plaatsvinden.

Op dat moment weet Gide, na "bevrijdende" reizen in Noord-Afrika, dat hij zijn seksuele geaardheid niet blijvend kan verbergen. Hij voelt zich aangetrokken tot argeloze, nog 'onbespoten' jongens, meestal uit de lagere klassen. Net voor het huwelijk stelt een geraadpleegde dokter hem niettemin gerust: "U bent als iemand die honger heeft geleden en zich tevreden heeft gesteld met augurken." Gide blijft redeloos vechten tegen zijn "neigingen". In zijn eerste huwelijksjaren vestigt hij zijn literaire reputatie met Les nourritures terrestres (1897 - een nogal didac-tisch adieu aan de burgerlijkheid), L'immoraliste en La porte étroite. Hij wordt een sleutelfiguur in de Franse literatuur, zeker nadat hij in 1909 mee de beroemde Nouvelle Revue Française opstart, waaruit later uitgeverij Gallimard zal ontstaan.

Dat de alliantie tussen Gide en de vrome Madeleine uitdraait op een mariage blanc én een emotioneel debacle kun je dan al voorzien. Wanneer Madeleine in correspondentie ontdekt dat Gide avontuurtjes met jongens blijft onderhouden ontstaat "een verschrikkelijke crisis". In 1917 wordt Gide bovendien fataal verliefd op de zeventienjarige Marc Allégret, de latere cineast waarmee hij lange tijd samen zal optrekken. Tijdens Gides afwezigheid gooit Madeleine, de totale wanhoop nabij, zijn brieven in de haard van hun kasteel te Cuverville. Meer dan dertig jaar correspondentie gaat in rook op. Wanneer Gide het later ontdekt, is hij ontroostbaar, alsof "ze ons kind had vermoord". Hij huilt een volle week en "hoe meer ik huilde hoe meer we vreemden voor elkaar werden; (...) en al snel huilde ik niet meer om mijn verbrande brieven, maar om ons, om haar, om onze liefde. Alles stortte in."

Om Madeleine te sparen, paste hij noodgewongen zelfcensuur toe, in het besef dat het een mission impossible wordt: "Een zekere halfhartigheid in mijn denken was vaak niet anders dan de vrees iemand die me lief is geen verdriet te doen." Zijn zelfrechtvaardigingen vol christelijke schuldgevoelens zijn nochtans welluidend: "Hoe mooi is het genot zonder de liefde; hoe edel is de liefde zonder begeerte. Hoe ongelukkig is de mens." In het nogal statische boek Corydon (1924) poogde hij komaf te maken met zijn dubbelhartigheid en schrijft hij een schandaalverwekkende 'défense de la pédérastie' (Gides synoniem voor homoseksualiteit).

Gides amoureuze leven kende nog een paar vreemde bokkesprongen. Uiteindelijk verwekte hij in 1922 bij Elisabeth, de vrijgevochten dochter van Théo en Maria van Rysselberghe - min of meer op Elisabeths aandringen - een kind. En ook deze dochter Cathérine moest voor zijn echtgenote Madeleine deskundig en heel discreet worden toegedekt. Daar zorgde La petite dame, alias Maria van Rysselberghe, wel voor. Ze waren hecht bevriend en vanaf 1918 tot zijn dood in 1951 fungeert ze als zijn schaduwbiograaf, wat resulteerde in Les cahiers de la petite dame.

Een minzame coryfee

"Ik houd niet van uw lippen, ze zijn recht als van iemand die nooit heeft gelogen. Ik wil u leren liegen, zodat uw lippen mooi en gekruld worden als van een antiek masker", zei Oscar Wilde ooit aan Gide. De uitspraak moet Gide diep getroffen hebben. Omdat hij Wilde zeer bewonderde, maar ook omdat Gide weinig nauwer aan het hart lag dan oprechtheid. Die levenshouding doordesemt vooral zijn beroemd geworden dagboek. Gide begint eraan op zijn achttiende, "uit behoefte om een verwarde innerlijke onrust te uiten", en houdt het koortsachtig bij tot vlak voor zijn dood. Zijn lichtende voorbeelden zijn de dagboeken van Henri Amiel en Stendhal ("Stendhal is mijn zeeschuim. Ik scherp er mijn snavel aan"). Gide had immers een hekel aan de kwaardaardige anekdotiek die de gebroeders Goncourt in hun roddelzieke Journal beoefenden. Nee, bij hem ligt de klemtoon op de introspectie. Het is de plek waar hij ongedwongen zijn gedachten voorproeft, aanzetten voor romans uitprobeert en over zijn lievelingsschrijvers Montaigne en Dostojevski filosofeert. Gide is soms rijkelijk abstract, maar geleidelijk sluipt de dagelijkse werkelijkheid meer binnnen. Hij tekent ragfijne miniportretten en getuigenissen op van tijdgenoten als Marcel Proust, Stéphane Mallarmé, zijn vriend Paul Valéry en de gebroeders Mann. Met Cocteau, die hem altijd wel ergens voor de voeten loopt, kon hij het minder goed vinden: "Wat wil hij graag de show stelen door zijn pose, wat een berekening..." Prachtig te volgen is de geoliede wisselwerking tussen hem en zijn trouwe vriend Roger Martin du Gard (auteur van Les Thibault en ook al Nobelprijswinnaar), waarin ze elkaars werk voortdurend op de rooster leggen.

Samenstelster en vertaalster Mirjam de Veth, die Het innerlijk blauw uitstekend inleidt en annoteert, heeft haar selectie toegespitst op het interbellum. Gide stond toen op het toppunt van zijn roem en werd druk gesolliciteerd voor artikelen, lezingen en buitenlandse reizen. Ook al vond hij zichzelf "een trage schrijver", zijn productie leed er niet onder. Opvallend is ook hoe ongedwongen Gide met zijn status als coryfee omspringt. Zelfs wanneer hij in de vuurlinie van de kritiek staat, blijft hij minzaam: "Iemand moet wel heel onaangenaam zijn, wil ik hem niet aardig vinden."

Geëngageerd schrijver?

Indrukwekkend blijft hoe intens Gides leven werd opgeslorpt door het schrijverschap. Slechts als zijn pen het begeeft, gunt hij zich even rust: "Mijn pen weggebracht om te laten repareren, het zal tien dagen duren, zeiden ze. Goede smoes om niet te schrijven." Gide kon zich al op vroege leeftijd voluit aan de letteren wijden, want door zijn ruimhartige financiële situatie hoefde hij nooit zelf de kost te verdienen. Toch stond hij als legendarisch zuinig bekend. Met zijn onafscheidelijke verfomfaaide hoedjes, rondwapperende cape en hoornen bril leek hij soms eerder een bohemien. Zijn levenslange afkeer van bourgeoismanieren was daar niet vreemd aan.

Veel aandacht gaat in Het innerlijk blauw ten slotte naar de spagaat die Gide in zijn politieke denkbeelden volvoerde. Zijn ingebakken rechtvaardigheidsgevoel drijft hem gaandeweg meer en meer naar het politieke forum. Wanneer hij in 1925 van nabij de koloniale misstanden in Congo-Brazzaville registreert, legt hij er in zijn geruchtmakende Voyage au Congo (1927) beheerst getuigenis van af. Frankrijk staat op zijn kop, maar Gide geeft geen krimp en blijft op zijn strepen staan. Toch rijst er een voorbehoud bij zijn imago van geëngageerd schrijver. Zelfs wanneer hij zich dicht tegen het communisme aanschurkt, koestert hij in wezen een verlicht, nogal klassiek individualisme, dat misschien ook te weinig voeling had met de gewone man. "Armoede had voor hem iets exotisch, dat hem naar het hoofd steeg", merkt Mirjam de Veth terecht op.

Wanneer hij in juni 1936 op uitnodiging naar de Sovjet-Unie gaat, overvalt hem al spoedig een grote irritatie over de eindeloze stroom propaganda. Het resulteert in het bittere Retour de l'URSS (1936). "De grote individualist, de liberaal van het merkwaardige Franse type Montaigne, die zichzelf evenwichtig tegenover maatschappij en wereld zocht te verhouden, bezeerde zich grondig in het communistische huis en verliet het gauw", schrijft Maurice Roelants daarover in 1951. Gides politieke uitstappen bleven ambigu: in zijn jeugd sympathiseerde hij zelfs heel even met de extreem rechtse Action Française van Charles Maurras. Als het moest, verhief hij zijn stem, maar soms kon hij ook verrassend hardnekkig zwijgen. Op 1 november 1939, wanneer de Tweede Wereldoorlog onafwendbaar is, trekt hij zich ontgoocheld terug in een "individualisme" (dat volgens hem een dam kan opwerpen tegen de "unificering" van Hitler) en houdt hij en public de kiezen op elkaar. Gide voelt dat zijn mening er niet meer toe doet: "Alles noodt me tot onomwonden zwijgen."

Zo blijft Gide een enigmatische figuur. Zijn oeuvre samenvatten is dan ook " als een inktvis een jasje willen aantrekken: net heb je twee armen in mouwen gepast of de overige zes trekken die weer uit", merkt De Veth fijntjes op. Een aantal van Gides morele en geloofsdilemma's mogen dan wel flink gedateerd aandoen, de stilistische precisie en de ernst waarmee hij ze te boek heeft gesteld blijven indrukwekkend. Wordt het daarom ook niet hoog tijd voor een stevige vertaalde greep uit de 25.000 brieven die Gide de wereld instuurde?

Gide voelt zich aangetrokken tot argeloze, nog 'onbespoten' jongens, meestal uit de lagere klassen. Net voor zijn huwelijk stelt een geraadpleegde dokter hem niettemin gerust: 'U bent als iemand die honger heeft geleden en zich tevreden heeft gesteld met augurken'



André Gide

- Gide was de zoon van een katholieke vader uit het meditterane Uzès, de rechtenhoogleraar Paul Gide, en een streng protestantse moeder uit Normandië. Zijn ingetoomde natuur zou hij van zijn moeder mee hebben gekregen; zijn zuiders temperament van zijn vader.

- Trouwde in 1895 met zijn nicht Madeleine Rondeaux. Het huwelijk zou vooral platonisch zijn. In 1917 werd Gide ook nog eens fataal verliefd op de zeventienjarige Marc Allégret. En enkele jaren later verwekte hij een dochter bij Elisabeth van Rysselberghe.

- Oprichter van de Nouvelle Revue Française.

- Schreef tijdens de oorlog Corydon (uitgegeven in 1942), waarin hij homoseksualiteit in een gunstig daglicht stelde en daarmee heel wat schandaal verwekte.

- Kreeg in 1947 de Nobelprijs voor de literatuur.

- In 1952 zette de rooms-katholieke kerk zijn werk opde lijst van verboden boeken.

Links

- De parelduiker, speciaal André Gidenummer,
december 2005, uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 14,95 euro

- www.andregide.org

- www.gidiana.net
Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat