Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 232
Auteur(s): Raymond Queneau
Titel: Mijn moeder zong
Recensent: Martin de Haan
Bron: De Volkskrant
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 14-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


Tussen het aardse en het hogere
de Volkskrant, Boeken, 28 januari 2000 (pagina 26)

ER ZIJN van die schrijvers die je altijd blijven intrigeren, niet zozeer omdat ze je verbluffen met hun virtuositeit of hun diepzinnigheid, maar vooral omdat je voortdurend het gevoel hebt dat je er net niet bij kunt, dat je iets gemist hebt, kortom: dat je eigenlijk weer van voren af aan zou moeten beginnen met lezen. Een van die zeldzame figuren is voor mij de Fransman Raymond Queneau (1903-1976). Zijn romans zijn weleens vergeleken met een ui die je kunt blijven afpellen zonder ooit op de kern te stuiten, en inderdaad hebben ze veel weg van de paradoxale kringlopen op de tekeningen van Escher: je komt steeds verder (hoger, dieper), maar uiteindelijk blijk je gewoon een rondje te hebben gemaakt.
Voor een deel heeft die raadselachtigheid ongetwijfeld te maken met de volstrekte afwezigheid van elke moraal in Queneau's werk. Hij dringt zijn lezer geen visie op, zegt niet hoe het moet of hoe het is, maar laat simpelweg een bizarre stoet van personages aan ons voorbijtrekken, die allemaal één ding met elkaar gemeen hebben: hoe goed of slecht, dom of slim, autistisch of welbespraakt ze ook zijn, ze worden zonder uitzondering gedragen door de sympathie van de auteur. Elk van hen is hem dierbaar, je zou bijna zeggen: alsof het zijn eigen kinderen zijn ('de vader van Zazie', wordt Queneau vaak genoemd). Maar dat is een cliché dat meer verhult dan het verklaart.
Nieuwe poging: waarom zijn die personages zoals ze zijn? In ieder geval niet uit realistische overwegingen. Neem nu Valentin Brû, de hoofdpersoon van de roman De zondag des levens, misschien wel Queneau's mooiste. Zijn lievelingsbezigheid is straatvegen, als hij niets te doen heeft denkt hij aan de slag bij Jena, en hij gaat in zijn eentje op huwelijksreis omdat zijn kersverse echtgenote op de zaak moet passen. Die echtgenote is trouwens bijna twee keer zo oud als de 25-jarige soldaat Brû, ze heeft haar oog op hem laten vallen en hij heeft zich zonder enige tegenstand laten strikken. Nee, realistisch kan het personage Valentin Brû moeilijk worden genoemd.
Toch zijn meneer en mevrouw Brû niet helemaal verzonnen, zoals blijkt uit het tweede Queneau-boek dat onlangs is verschenen, een door vertaler Jan Pieter van der Sterre samengestelde compilatie van autobiografische teksten met de fraaie titel Mijn moeder zong. In een fragment dat waarschijnlijk dateert uit de oorlogsjaren, dus van vóór De zondag des levens (wat Van der Sterre helaas niet vermeldt), zet Queneau in het kort zijn familiegeschiedenis uiteen, en er is geen twijfel mogelijk: zijn eigen vader en moeder hebben model gestaan voor Valentin en diens vrouw Julia. Zelfs (of juist?) de meest bizarre details blijken 'waar gebeurd': weliswaar ging de heer Queneau niet in zijn eentje op huwelijksreis, maar volgens een beroemde familieanekdote reisde hij in een hogere klasse dan zijn (inderdaad oudere) vrouw.
Toen ik dat fragment tien jaar geleden voor het eerst las, was ik ronduit teleurgesteld. Queneau, dat was toch de schrijver met de ongebreidelde fantasie en de briljante vondsten, en Valentin Brû was toch het summum van zijn vindingrijkheid? De onverwachte autobiografische herkomst van de hoofdpersonen van De zondag des levens wierp ineens een heel ander licht op de ogenschijnlijk komisch bedoelde mededeling waarmee het boek begint: 'Omdat de personages van deze roman werkelijk zijn, berust elke gelijkenis met denkbeeldige personen op toeval.'
Maar bij het herlezen en herherlezen blijkt die nieuwe kennis over de ontstaansgeschiedenis niets aan het effect te veranderen. Misschien is dat wel het kenmerk van een groot schrijver: dat hij (bijvoorbeeld door subtiele verschuivingen en overdrijvingen) waar gebeurde dingen zo kan voorstellen dat ze verzonnen lijken. Daarmee is ook een antwoord gegeven op de vraag waarom de personages zijn zoals ze zijn: ze zijn domweg niet tot iets anders herleidbaar, als personages zijn ze inderdaad werkelijk - uniek, ongrijpbaar en aandoenlijk.
Raymond Queneau en de autobiografie, het is een onderwerp waar het laatste woord nog niet over is gesproken. Dát bepaalde elementen van zijn leven een belangrijke rol spelen in zijn werk staat buiten kijf, de vraag is alleen wat we met die kennis aan moeten. In een artikel uit 1938, opgenomen in Mijn moeder zong, laat Queneau zelf geen enkele twijfel bestaan over het belang dat hij aan de ontstaansgeschiedenis van een kunstwerk hecht: 'De voorliefde voor schetsen, opzetjes en probeerseltjes, voor het onafgemaakte, is een ware manie geworden bij de meesten van onze tijdgenoten. (. . .) Ik geef toe dat het soms vermakelijk is. Zo zou je op een avond in plaats van te bridgen of te knibbelen het dagboek van Homeros kunnen doornemen, een van de laatste ontdekkingen van de papyrologie; maar alleen de Ilias en de Odyssee tellen.'
Bekentenisliteratuur is wel het laatste wat Queneau wilde schrijven. Toch zullen er maar weinig schrijvers zijn wier oeuvre zó sterk de sporen van hun leven draagt. Het begint al met zijn naam en geboortedatum: Raymond Auguste Queneau, geboren 21 februari 1903. Een naam van eenentwintig letters, op de eenentwintigste geboren. . . Het is natuurlijk toeval, maar de schrijver, die niet vies is van getallensymboliek, vat het aan als een unieke kans om zijn eigen 'identiteit' de tekst binnen te smokkelen, als een soort persoonlijk watermerk. Hij gaat daar soms heel ver in, bijvoorbeeld door in een gedicht alle acht trigrammen uit de I Ching te verwerken, op twee na, die bij nader onderzoek samen het eenentwintigste hexagram blijken te vormen: aanwezigheid door afwezigheid.
Belangrijker nog is de spanning die Queneau in zijn eigen achternaam ontdekt. Hij ziet twee mogelijke etymologieën voor die naam, namelijk de Oud-normandische woorden quesne (eik) en quenet (hond), en die 'dubbele oorsprong' groeit in zijn werk uit tot een onverzoenlijk conflict tussen het omhoogstrevende (de eik) en het laag-bij-de-grondse (de hond). Het conflict wordt pas in Queneau's laatste boek, de raadselachtige poëziebundel Morale élémentaire (1975), heel onopvallend opgelost: 'De eik is het eens met de truffelhond', lezen we daar, oftewel, in psychologische termen: het individu accepteert zijn eigen lage driften en relativeert zijn zelfideaal.
Die spanning tussen het aardse en het hogere speelde voor de persoon Raymond Queneau een grote rol, dat is wel duidelijk. In twee perioden van zijn leven (van 1935 tot 1940 en van 1968 tot zijn dood) is zelfs sprake van een heuse 'spirituele crisis', die beide keren gepaard gaat met een verwoede lectuur van het werk van René Guénon, een dogmatische syncretist die de diepere eenheid van de verschillende religieuze orthodoxieën (katholicisme, islam, vedanta, taoïsme) probeert aan te tonen. Uit Queneau's leeslijsten blijkt dat hij sommige van Guénons boeken niet minder dan zeventien keer heeft gelezen, met als onvermoed gevolg een felle richtingenstrijd in de huidige Queneau-kritiek: sommigen willen zijn gehele oeuvre in het licht van die spirituele zoektocht plaatsen, anderen zien dat oeuvre juist als een vlucht uit de persoonlijkheid, om met T.S. Eliot te spreken.
Hoe Queneau er zelf over dacht weten we: enkel het werk telt. Of was dat alleen een afleidingsmanoeuvre? Hij heeft tenslotte vrijwel al zijn dagboeken en leeslijsten zorgvuldig bewaard, en in dat dagboek zegt hij zelfs: 'Het probleem bij mensen die een dagboek bijhouden is dat ze zich voorstellen dat anderen zich later voor hun dagelijkse beslommeringen zullen interesseren.' Maar aan de andere kant kun je je afvragen wie er nu eigenlijk bij gebaat is wanneer een schrijver als Queneau wordt teruggeduwd in het moeras waaruit hij zich met moeite heeft weten te ontworstelen. De literatuurwetenschap natuurlijk, die immers haar eigen bestaan moet rechtvaardigen, maar verder?
Toch dreigt het beeld van Queneau als crypto-mysticus in Frankrijk geleidelijk aan de overhand te krijgen. Er verschijnen zelfs inleidingen voor een groot publiek die alles wat zijn werk zo bijzonder maakt reduceren tot een oppervlakkig bijverschijnsel: zijn ingetogen maar o zo onweerstaanbare humor, zijn taalvirtuositeit, zijn experimenten met literaire vormen (hij was mede-oprichter van de Oulipo, de befaamde Werkplaats voor Mogelijke Literatuur), en niet in de laatste plaats zijn fascinerende ongrijpbaarheid. 'Queneau gegrepen door de niet-lachers', luidt de veelzeggende titel van een artikel dat Claude Debon, de tekstbezorgster van zijn verzameld werk, aan die funeste ontwikkeling wijdde. Gelukkig bestaat er een zeer probaat tegengif: het werk van Queneau.
In Nederland hebben we niet te klagen gehad over aandacht voor dat werk. Eerder verschenen maar liefst zeven romans, een bundeltje gedichten en de befaamde Stijloefeningen in vertaling, en er is meer op komst: een uitgebreide gedichtenselectie en waarschijnlijk nog een of meer romans. Samen met de zojuist verschenen titels komt het vertaalde werk van Queneau daarmee ruimschoots boven de tien boeken, en dat kunnen niet veel Franse schrijvers hem nazeggen.
Ongeveer de helft van die vertalingen staat op naam van Jan Pieter van der Sterre, die ook tekende voor De zondag des levens en Mijn moeder zong. Queneau had zich geen betere pleitbezorger kunnen wensen: Van der Sterre vertaalt met liefde en zwier, het is duidelijk dat daar achter de bladspiegel iemand heel erg zit te genieten - precies het gevoel dat ook de Franse tekst oproept. Althans, de tekst van De zondag des levens, want Mijn moeder zong is een heel ander verhaal. 'Dit is geen boek van Queneau', geeft Van der Sterre zelf al aan in zijn voorwoord, om daar meteen aan toe te voegen: 'Ook de Franse brontekst is geen boek van Queneau.' (Maar dan, ter geruststelling: 'Deze Nederlandse uitgave van de dagboeken lijkt minder geen boek van Queneau dan de Franse versie.')
Door de gelijktijdige verschijning van een roman en een selectie uit de dagboeken wordt nog eens extra duidelijk waarom de eerste zoveel meer gewicht in de schaal legt dan de tweede. Niet dat die dagboekteksten geen boeiende lectuur zijn, integendeel (en vooral wanneer de vertaler de interessantste teksten al voor je heeft uitgezocht, ook al geeft hij daarmee een valse voorstelling van zaken).
Maar als je ze een keer hebt doorgelezen weet je het wel, je hebt een blik geworpen in de ziel van een intelligente man met bepaalde obsessies en een groot gevoel voor humor (want gelukkig zijn niet alle dagboeken zo ontstellend humorloos als dat uit de 'spirituele' jaren 1939-'40, dat in 1986 als eerste werd gepubliceerd), en dat was het dan: goed genoeg om een avondje niet te hoeven bridgen of knibbelen.
Met kunst heeft het echter weinig te maken, en het is dan ook een gouden ingeving van Jan Pieter van der Sterre geweest om in Mijn moeder zong naast dagboekfragmenten ook meer uitgewerkte autobiografische teksten en zelfs een aantal gedichten, romanfragmenten en essays op te nemen. Door het contrast in stijl, toon en vorm wordt de lezer voortdurend met zijn neus op de feiten gedrukt: er gaapt een enorme kloof tussen de kunst en het brute anekdotische materiaal. Maar geheel zonder risico is Van der Sterre's aanpak niet. Wanneer een romanfragment of een gedicht wordt opgenomen vanwege het autobiografische karakter, is het niet ondenkbaar dat ze door de context worden meegezogen in de maalstroom van het anekdotische. Je moet als lezer sterk in je schoenen staan om die teksten als verbeeldingsliteratuur te kunnen blijven lezen.
Alleen daarom al zou elke koper van Mijn moeder zong verplicht ook een exemplaar van De zondag des levens moeten aanschaffen. Wie de aandoenlijke goedzak Valentin Brû tweehonderd bladzijden lang heeft gevolgd in zijn hilarische ontwikkeling van dienstplichtige tot neringdoende, van toekomstvoorspeller tot heilige en van soldaat tot billenknijper, heeft zijn lesje voor altijd geleerd: de kunst laat het leven ver achter zich.
Copyright: Haan, M. de
Raymond Queneau: Mijn moeder zong., Samengesteld, geannoteerd en vertaald uit het Frans door Jan Pieter van der Sterre., De Arbeiderspers, Privé-domein; 349 pagina's; ƒ 55,-., ISBN 90 295 3531 8., Raymond Queneau: De zondag des levens., Vertaald uit het Frans door Jan Pieter van der Sterre., IJzer; 219 pagina's; ƒ 44,50., ISBN 90 74328 36 9.

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat