Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 232
Auteur(s): Raymond Queneau
Titel: Mijn moeder zong
Recensent: Arnold Heumakers
Bron: NRC Handelsblad
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 14-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


De wilde wijsheid van een straatveger
NRC Handelsblad, 25 februari 2000

Raymond Queneau: De zondag des levens. Uit het Frans vertaald door Jan Pieter van der Sterre.IJzer, 219 blz. fl.44,50Raymond Queneau: Mijn moeder zong. Samengesteld, vertaald en geannoteerd door Jan Pieter van der Sterre. De Arbeiderspers, 349 blz. fl.55,-

Wat hebben filosofen met straatjongens te maken? Niets, zou je zeggen. Maar in het curieuze essay `Philosophes et voyous' blijkt Raymond Queneau (1903-1976) daar anders over te denken. Via een etymologisch onderzoek, dat leest als een parodie op Heidegger, weet hij de `voyou' tot een `voyeur' te herleiden. Wat straatjongens en filosofen met elkaar delen is de beschouwelijkheid. Een extra bewijs (als het die naam al verdient) zoekt Queneau in het opschrift dat hij ooit bij een kermisattractie is tegengekomen. `Entrée des philosophes' stond daar op een poortje dat toegang verschafte tot de plek, waar men de meisjes die zich in de attractie (een soort cakewalk) vermaakten recht onder de opwaaiende rokken kon kijken.

Lezers van Queneau's roman Pierrot mon ami (1942), die dezelfde anekdote bevat, zal dit soort `filosofen' niet onbekend voorkomen. Even grappig en oneerbiedig is Queneau's benadering van de filosofie in Le dimanche de la vie (1952), waarvan onlangs voor het eerst een Nederlandse vertaling is verschenen.

De titel van de roman is ontleend aan een citaat uit Hegels Ästhetik. De `zondag des levens' betekent er zoiets als het ideale moment van opperste zorgeloosheid, vol van levenslust en verstoken van slechtheid. In de roman zelf is Hegel minder makkelijk terug te vinden, al zijn er wel een paar verwijzingen. Want waarom moet de hoofdpersoon, de soldaat tweede klasse Valentin Brû, zo nodig het slagveld van Jena bezoeken?

Op 14 oktober 1806, toen Napoleon het Pruisische leger bij Jena en Auerstädt verpletterend versloeg, meende Hegel in de Franse keizer de `wereldgeest' te herkennen, die op dat moment een eind had gemaakt aan de geschiedenis. Zo luidde althans de interpretatie van Alexandre Kojève tijdens zijn roemruchte Hegel-colleges in de jaren dertig, waarvan de dictaten in 1947 door Queneau werden gepubliceerd onder de titel Introduction à la pensée de Hegel.

Queneau moet deze interpretatie op zijn manier serieus hebben genomen en Kojève retourneerde het compliment door in een artikel uit de jaren vijftig de helden van drie van Queneau's romans (waaronder Le dimanche de la vie) te begroeten als hegeliaanse `wijzen'. Na het einde van de geschiedenis zou immers van de filosofie alleen de wijsheid overblijven. Het klinkt allemaal hoogst bizar, zeker als je de roman erbij pakt. Op het eerste gezicht heeft Valentin Brû, die zich na zijn diensttijd laat verleiden tot een huwelijk met de twintig jaar oudere Julia, niets van een `wijze'. Van Hegels `absolute weten' is bij deze simpele ziel, noch bij zijn echtgenote die een winkeltje in band en garen drijft en later ook nog als waarzegster optreedt, iets te bespeuren.

Het misverstand berust op het feit dat we ons bij het einde van de geschiedenis zo weinig kunnen voorstellen, in weerwil van alle recente pogingen deze gedachte nieuw leven in te blazen. Via zijn hoofdpersoon doet Queneau ons niettemin een suggestie aan de hand. Voor zijn Valentin is het inderdaad alle dagen `zondag': het scheppende werk is gedaan en de toekomst houdt op een probleem te zijn. Daarom kan hij gerust, in de vermomming van `Madame Saphir', Julia vervangen als waarzegster. Na het einde van de geschiedenis is dat toch een gratuite bezigheid geworden, hoogstens geschikt om andermans illusies te exploiteren.

Het liefst van al was hij overigens straatveger geworden, om ook het weinige wat zijn geest nog vult weg te bezemen, zodat hij eindelijk zonder afleidende gedachten de wijzers van de klok kan volgen. De `pure leegheid van de tijd', daar heeft hij zijn zinnen op gezet. Maar nadat hij erin is geslaagd de tijd zeven minuten te volgen, begrijpt hij dat het er niet zozeer om gaat de tijd te volgen, als wel hem te `doden'. De enige ambitie die Valentin daarna nog rest is gericht op het verleden: het bezoek aan het slagveld van Jena, al lijkt hij nauwelijks te beseffen waarom precies.

Historisch toerisme en de tijd doden - meer valt er kennelijk niet te doen in Queneau's post-histoire. Ook de komst van de Tweede Wereldoorlog (de roman speelt in de jaren dertig en loopt door tot de Franse nederlaag in 1940) brengt daarin geen verandering. In Le dimanche de la vie `gebeurt' hoegenaamd niets, indachtig Hegels dictum dat het geluk thuishoort op de `lege bladzijden' van de geschiedenis. In zijn roman geeft Queneau er alvast een voorproefje van, door die lege bladzijden te vullen met zinloze avonturen en onnavolgbaar geleuter, vaak in fonetisch weergegeven spreektaal, waarop de geschiedenis geen serieuze greep meer krijgt.

Het moet niet eenvoudig zijn geweest voor al deze laconieke vrolijkheid een even aanstekelijk Nederlands te vinden, maar Jan Pieter van der Sterre heeft het in De zondag des levens schijnbaar moeiteloos voor elkaar gekregen. Queneau's personages sprankelen, ook in het Nederlands, van een even banaal als hilarisch leven. En wie desondanks nog twijfel mocht koesteren omtrent de verborgen ernst van Queneau's inzet, doet er goed aan Mijn moeder zong te lezen, een selectie uit de Journaux, die vorig jaar in de reeks Privé-domein is verschenen, eveneens in een uitstekende vertaling van Van der Sterre. Omdat de dagboeknotities worden afgewisseld met allerlei autobiografische fragmenten, gedichten en interviews, krijg je uit deze bundel een mooi beeld van Queneau's leven en van de zaken die hem bezighielden, wanneer hij niet aan zijn romans werkte.

Opvallend is de overeenkomst tussen zijn `wijze' helden en hemzelf. Ook Queneau droomt ervan `niets' te doen, zelfs het straatvegersideaal is aanwezig. Dat neemt niet weg dat hij in werkelijkheid een heleboel doet. Als jeugdig surrealist koestert hij zijn dromen, als redacteur bij Gallimard is hij belast met de Encyclopédie de la Pléiade, als echtgenoot waagt hij zich halfslachtig aan overspel, als intellectueel in het naoorlogse Parijs tekent hij - ondanks verklaarde tegenzin - gretig de roddels op over Sartre, Simone de Beauvoir, de familie Gallimard en vele anderen, terwijl intussen het `niets' blijft wenken.

De begeerde `wijsheid' krijgt extra reliëf, als we zien hoezeer Queneau, vooral tijdens zijn mobilisatie in 1939-1940, gekweld wordt door metafysische hunkeringen. Van Valentin Brû wordt gezegd dat hij er onder dezelfde omstandigheden naar streefde een `heilige' te worden, Queneau lijkt dat in de ogen van zijn vrouw Janine soms echt te zijn geworden.

`De wijze moet toekijken terwijl de geschiedenis zich voor zijn ogen afspeelt', noteert hij op 26 juni 1940 in zijn dagboek. Filosoof en straatjongen lijken in dit onthechte voyeurschap een moment samen te vallen. Maar alleen in zijn romans weet Queneau de symbiose daadwerkelijk tot stand te brengen. Romans geschreven door een ontgoochelde of liever ontnuchterde metafysicus, die zijn streven naar `heiligheid' achter zich heeft gelaten en die ontdekt heeft dat de resterende `wijsheid' er een is waar je maar het beste om kunt lachen.

Of die wijsheid ook voor de filosofie de enig mogelijke uitweg is, blijft natuurlijk de vraag. Maar wie zich door de onweerstaanbare humor van Queneau's proza op sleeptouw laat nemen, zal geen moeite hebben het althans voor de duur van de lectuur volledig met hem eens te zijn.

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat