Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 226
Auteur(s): Luuk Gruwez
Titel: Het land van de wangen
Recensent: Arjan Peters
Bron: De Volkskrant
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 15-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


Een spoedgeval van eenzaamheid
de Volkskrant, Boeken, 18 december 1998 (pagina 35)

SINDS ENIGE tijd heeft de voorheen prestigieuze reeks Privé-domein te lijden onder een kwalitatieve neergang. Met een bevreemdende zorgeloosheid werden in de afgelopen periode de dagboeken en memoires van schrale vertalers, tweederangs journalisten en labiele egotrippers tot de eregalerij toegelaten. De lezers vreten bekentenissen, moet de redenering van uitgeverszijde zijn geweest, dus dondert het niet welke brekebeen ermee op de proppen komt. De vormgeving bleef ouderwets uitmuntend - elk deeltje een typografisch juweeltje -, maar het gekluns tussen de flappen deed zeer aan de ogen.
Ook daarom is een royale welkomstgroet aan Luuk Gruwez, die met Het land van de wangen tekent voor nummer 226, op zijn plaats. Hij heeft zich er niet van af gemaakt met zíjn portie geneuzel dat voorzien van het label 'echt gebeurd is altijd prijs' voor zijn kritiekloze uitgever tegenwoordig reden genoeg is, er de boer mee op te gaan.
De Vlaamse dichter en prozaïst Gruwez, die voor de glanzende miniaturen van Het bal van opa Bing (1994) werd onderscheiden met de Geertjan Lubberhuizenprijs, heeft voldoende zelfkritiek en reserve om niet lukrake herinneringen en overpeinzingen bijeen te bezemen, om maar zijn steentje bij te dragen. Stijl en compositie staan bij hem hoog in het vaandel.
Zijn boek kent een hechte samenhang van brieven, dagboeken en terugblikken. Het land van de wangen is een logisch vervolg op zijn terecht bekroonde prozadebuut. In eerste instantie is Luuk Gruwez dichter. Zijn proza is een explicatie van zijn manier van denken en werken. Door de poëzie die hij in dit toelichtende werk weet te leggen, kan het meestal toch op zichzelf staan.
In de dichtbundel Vuile manieren (1994) was al te lezen over de diamanten bruiloft van een oma die haar trouwring kwijt is en haar beplaste en bescheten echtgenoot de luier moet omdoen. Verderop in diezelfde bundel dicht hij over de oma: 'Bleekheid, wijk uit haar gezicht./ Tijd, verstrijk. Dante, zwijg. Dood, emigreer./ Maak haar gezond en eeuwigdurend dom,/ nog één keer tien seconden jong.'
Die incontinente opa en die zieltogende oma, dat zijn die van Luuk Gruwez zelf. Het hoofdbestanddeel van Het land van de wangen is op de wc geschreven, een stiekem dagboek dat hij bijhield toen hij in de jaren 1993-'97 elke twee weken zijn grootouders kwam helpen bij het doodgaan, om het zonder eufemisme te zeggen.
In eerder werk hamert Gruwez er altijd met trotse sentimentaliteit op dat hij de kleine, intieme en tot vergetelheid gedoemde momenten uit zijn leven wil bijzetten. Opdat het volkomen vergeefse van een mensenleven in elk geval het aanschijn van betekenis kan krijgen, opdat de dood althans voor even moet emigreren, en de droefenis van de ouderdom kan worden omgewenteld in de luister van de beloftevolle jeugd.
Bij zijn grootouders in Deerlijk, het oude weversdorp van zijn eigen jeugd, was de laatste jaren voor de gevoelige poëet waarachtig werk aan de winkel. Er viel behoorlijk wat aardsheid te transformeren, als we het dagboek mogen geloven.
Oma Liesje (Alice) en opa Knor (Lucien) brengen de dagen door met reutelen en snurken, vuilbekken, liedjes zingen, zuipen en scheten laten. Liesje komt met behulp van een looprek nog een paar meter haar bed uit, Knor piest in zijn pyjama en trakteert Luuk regelmatig op een Fäkaliendrama: 'Zo bang is hij om dood te gaan, dat hij dan maar in leven blijft. Hij mag dan wel nee zeggen tegen de hele wereld, hij zegt ja tegen het leven.'
Ga er maar aan staan. En dat doet Gruwez. Tussen de onthutsende passages over twee dementerende bejaarden die elke schroom en elk gevoel voor decorum hebben verloren, roept de kleinzoon hun betere jaren terug. De beschrijving van hun verval is komisch en aandoenlijk. Door daarnaast te verhalen dat Liesje en Knor in de jaren veertig en vijftig samen musiceerden op piano en viool, doet Gruwez nog iets anders.
Hij wil deze mensen die een confectiebedrijf hadden en altijd hard hebben gewerkt, niet louter zwijgend gadeslaan, maar hun ontluistering in haar tegendeel doen verkeren door middel van zijn pen.
De flaptekst spreekt van een 'deprimerend' beeld van de oudjes, dat door de verhalen over hun jeugdjaren wordt 'gecorrigeerd'. Een onnauwkeurige term, kennelijk uit de koker van een redacteur die benauwd is dat de aspirant-koper wordt afgeschrikt door het woord 'deprimerend'.
Maar Luuk Gruwez wil de aftakeling niet wegwerken, zijn opdracht is het om van pies en poep weer goud te maken, te laten zien hoe het ene in het andere kan overgaan - omgekeerd aan de chronologie. Dat is geen kwestie van corrigeren, maar van aanvullen. Voor Gruwez is schrijven 'de gevangenis van de wereld iets groter maken'.
De naaisters die het grootouderlijk echtpaar vroeger in dienst had, zijn weg. Het bedrijfje wordt omgebouwd, de resterende confectie is een populair vakantieoord voor muis en rat.
Onontkoombaar gaan ze eraan, Liesje en Knor, en hoewel de laatste zijn kleinzoon verrot zou schelden als hem dit boek onder ogen kwam, de motieven van Gruwez zijn uiterst nobel.
Bespottelijk en deerlijk dramatisch is de scène waarin de 90-jarige Knor het alarmnummer belt. Vijf minuten later staat een ambulance voor de deur. De dienstdoenden treffen opa aan in zijn fauteuil, nippend van een wijntje. Knor had enkel gebeld omdat hij zich een beetje alleen voelde.
'Ja maar meneer!, zeggen zij, en vrijwel meteen druipen zij weer af. Een spoedgeval van eenzaamheid: niet daarvoor hebben zij een opleiding genoten.'
Het gaat om die laatste zin. Die kleedt de anekdote aan. Zo noemt Gruwez de lelijke poes van zijn moeder 'de outcast in het land van de aristocats', en betitelt hij zichzelf als 'het meest bedeesde zangertje van het knapenkoor Het Mezennestje'. Zulke klankrijmen verraden de dichter. De prozaïst is op zijn best in 'Kiekeboe', een portret van zijn ouders die in 1983 in één maand tijd stierven, beiden niet veel ouder dan een halve eeuw. Gruwez meent dat zij zielsveel van elkaar hielden, 'maar de taal vergeten waren waarin zij dat moesten doen'. Werk aan de winkel! Luuk Gruwez is de toezichthouder die voorkomt dat al wat hem ooit dierbaar is geweest, woordloos oplost.
Hij wil zijn ouders die taal postuum weerom schenken, en tekent de twee scherper dan de foto's in het boek kunnen weergeven. Met name zijn moeder tovert hij miraculeus om, van een nerveuze kloek die altijd in de schaduw van haar man leefde, tot het meisje dat Stijfkopje las en vervuld was van talloze mogelijkheden, 'dat nog niet veroordeeld was tot kiezen'.
Het hart van het boek, de stukken over de ouders en grootouders (van moederszijde), wordt omgeven door brieven en beschrijvingen van reisjes naar Griekenland. Wellicht heeft Gruwez daar veel te zoeken, hij haalt er alleen te weinig vandaan. Dat je ginder eilanden hebt, wind, zee, sterren, geiten en retsina, dat weet mijn opa ook. Luuk kan het beste gewoon thuisblijven, of terugdenken aan reizen, zoals in het sluitstuk van Het land van de wangen, een evocatie van zijn eerste jeugdliefde Danielle.
Een kwart eeuw nadien, het is 1997, waagt Luuk het de Française weer op te zoeken. Hij steekt zijn kop door een gat in de haag rond haar achtertuin, ziet haar zitten, en wordt weggebonjourd.
Diezelfde kop, omkranst door bladeren, staat ook op het omslag. Alleen hoeft hij zich daar niet te schamen, en vormen de bladeren een bescheiden erehaag.
Arjan Peters
Luuk Gruwez: Het land van de wangen.
De Arbeidersper; 277 pagina's; € 39,90.
ISBN 90 295 2145 7.
Copyright: Peters, Arjan

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat