Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 220
Auteur(s): August Willemsen
Titel: Vrienden, vreemden, vrouwen
Recensent: Onno Blom
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 16-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


Drank en vrouwen: de kroniek van een aartstwijfelaar
Trouw, 13 maart 1998

De studententijd is in de literatuur een onuitputtelijke bron van inspiratie. Dat is ook wel logisch: het is de periode waarin nogal wat schrijvers voor het eerst echt worden aangeraakt en uitgedaagd door duistere boeken, hooggestemde filosofiën en de beeldende kunst. Bovendien is het een tijd van seksuele ontluiking en het ontstaan van hevige vriendschappen.
Het is verrassend om te midden van alle platte impressies van de overgang naar de volwassenheid van jonge schrijvers als Giphart, Van Duynhoven en Van Exel (die zijn medestudenten uit de jaren negentig zelfs als 'sneue eikels' typeerde) de memoires van August Willemsen over zijn studietijd te lezen. 'Vrienden, vreemden, vrouwen' voert ons terug naar de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig, waarin de aanraking met de kunst zoveel heviger werd beleefd.

Qua sfeer past Willemsens autobiografie dan ook beter bij een boek als 'Bij nader inzien' van J. J. Voskuil. Net als Voskuils alter ego Maarten Koning lag de jonge Willemsen met zijn vrienden en vriendinnen uitgestrekt op matrassen op zolderkamers. Ze rookten, dronken en raakten niet uitgepraat over muziek, boeken en verre reizen naar het Zuiden.

Toch is 'Vreemden, vrienden, vrouwen' in de vorm een volstrekt ander boek dan 'Bij nader inzien'. Hoewel beide schrijvers hun dagboek als uitgangspunt namen, heeft Voskuil alle vrienden die in zijn roman een rol speelden, afzonderlijk en minutieus tot in de kleinste gebaren vastgelegd. Ze zijn tot romanpersonages verworden. Daar is het Willemsen in het geheel niet om te doen. Hij vertelt alleen maar over zijn vrienden, met naam en toenaam, in zoverre ze voor hem op dat moment belangrijk zijn geweest.

Er is nog een significant verschil. Willemsen wisselt authentieke dagboekfragmenten af met zijn bezonken commentaar in het heden. Van achter zijn bureau, met uitzicht op de skyline van Melbourne in Australië, waar hij tegenwoordig woont, kijkt de 62-jarige schrijver en gelouterde en gelauwerde Pessoa-vertaler over zijn schouder terug naar zijn kamertje aan de Amsterdamse Achillesstraat. ``Het is vreemd dat ik in die tijd in sommige opzichten dacht en deed als een kind, en op andere momenten tot inzichten kwam die ik nooit meer heb hoeven bijstellen'', merkt hij verbaasd op. ``Alsof ik beurtelings de leeftijd had die ik had, en die ik nu heb.''

Willemsen heeft gelijk. Het contrast in toon moge duidelijk zijn, in wezen is hij dezelfde oudere jongeling gebleven. De schrijver toont zich nog altijd een aartstwijfelaar. ``Twijfels, twijfels. Twijfels aan mijn vermogen tot liefhebben, twijfel aan mijn vermogen tot bestaan. Hoe zou het voelen, de zekerheid dat je je niet vergist?''

Steeds vraagt hij zich af of hij wel de juiste keuzes maakt. Blijven aan het conservatorium, gaan werken bij een reclamebureau, Portugees gaan studeren, op reis gaan en alles achterlaten? Het zijn de vragen die hem constant in verwarring brengen over zijn toekomst. ``Pas later is alles waar'', verklaart de oude Willemsen een tikje mismoedig.

Ondanks de tergende twijfelarij, of misschien wel juist omdat hij zijn onzekerheid wil maskeren, is enige Schöngeisterei Willemsen niet vreemd. Hier en daar riekt het zelfs behoorlijk naar valse bescheidenheid en geposeer, als zijn jonge zelf achter elkaar duivels ingewikkelde klassieke muziekstukken op de piano zit te pingelen, interieurs uit de losse pols schetst, opzichtig zit te schrijven in het café, poëzie uit het hoofd citeert en en passant Gide's 'Isabelle' vertaalt. Over het opmerkingsvermogen van zijn vrienden van de Amsterdamse kunstacademie zegt Willemsen: ``Lichaamsdelen werden beoordeeld als objets d'art, niet als iets lekkers''.

Het vleugje ironie dat in deze zin te bespeuren valt, geeft aan dat hij er zelf een tikje dubbelzinnig over dacht. Guus was gefascineerd door vrouwen en vooral, al zijn geestelijke hoogdravendheid ten spijt, door wat hun lichamen hem te bieden zouden kunnen hebben. Hij verliest zich in dromen over een onafgebroken stroom dames, die op het laatst nauwelijks meer van elkaar zijn te onderscheiden. Een regelrechte obsessie ontwikkelt hij voor opkruipende onderbroekjes en strakke truitjes vol borsten.

Al zijn mislukte en immer complexer rakende verhoudingen met vrouwen krijgen iets tragi-komisch. ``Een aanstellerig soort martelaarschap'', zo stelt hij achteraf zelf vast. Dat is niet geheel ten onrechte. Almaar gebeurt er juist niet, wat August zo graag met zijn wulpse vriendinnen zou willen. Met de mooie Marian gaat hij zelfs twee jaar achtereen op reis. Maar het Hele Erge, dat blijft uit. Als hij eindelijk echt met een Spaans meisje, Rosa, naar bed gaat, loopt hij prompt een geslachtsziekte op. De Spaanse roos blijkt een hoer.

De oorzaak voor zijn verbluffende gestuntel en getwijfel zoekt de schrijver in zijn uiterlijk: ``Ik was lang en wit (was me dat ook erg bewust), stotterde hevig (dat ben ik me altijd bewust), was me, kortom, in de meest algemene zin bewust van mijn buitenproportionele voorkomen, bijvoorbeeld van het feit dat ik, voor mijn lengte, een te klein hoofd had.''

Zo geremd als hij was met vrouwen, zo lustig laat Guus de drank stromen. Willemsen heeft, zoals hij zelf zegt 'een akelig talent voor drinken'. ``Ik word nooit misselijk en ik heb nooit genoeg.'' De inhoud van flessen wijn, vieux en combinaties van alle denkbare dranken verdwijnt achter elkaar in zijn keelgat. Wijn stopt het stotteren en cognac laat hem vloeiend Spaans spreken - en verandert zo in coñac. Het overvloedig drinken heeft ook wat tegenkanten. Dronkenschap maakt hem impotent en doet Guus op een nacht met zijn gezicht tegen een boom belanden.

De vraag blijft natuurlijk, na zoveel kommer en kwel in zijn persoonlijke geschiedenis, waarom August Willemsen dit allemaal heeft genoteerd, bijgeschaafd en van commentaar heeft voorzien. Het antwoord ligt voor de hand: hij kan niet anders. Schrijven, dat is nu eenmaal wat hij doet. Herhaaldelijk citeert hij de uitspraak van Stendhal: ``Ecrire tous les jours, génie ou non.'' Daarnaast staat de eerlijkheid, die Willemsen hoog in het vaandel heeft staan (en die hem opnieuw met J. J. Voskuil verbindt), er garant voor dat ook alle tot treurigheid en ergernis stemmende details op papier terecht dienen te komen. ``Laat ik niet huichelen'', spoort hij zichzelf aan.

Zo is deze kroniek van een aartstwijfelaar ontstaan, dit dwarrelende drinkeboersdagboek. Niet vanwege een dwingende inhoudelijke noodzaak. Het is zelfs uiteindelijk geen kwestie van stijl of literatuur, die je bij de estheet Willemsen zou kunnen verwachten. ``Wat schrijf ik toch walgelijk literair'', tikt hij zichzelf op de vingers. Nee, zijn boek draait wezenlijk maar om één ding: zijn verhouding tot vrienden, vreemden en vrouwen: ``Jaap, Johannes, Ype, Marian, Freddie, Ria, Edith, Mieke en nog veel meer; en nóg anderen, verder weg, diep in mijn onderbewustzijn, mensen die ik ben vergeten - zij allen zijn stukjes van de legpuzzel die ik mij voel. Stukje hier, stukje daar, elk stukje moet beschreven worden om op zijn plaats te vallen. Elke dag komt er een stukje bij en zoek ik me rot dat op zijn plaats te leggen. De puzzel is nooit af.''

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat