Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 213
Auteur(s): Jean-Paul Franssens
Titel: Zuiderkerkhof I
Recensent: Arjan Peters
Bron: De Volkskrant
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 16-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


'Het verhaal is het enige literaire genre dat overleeft'
de Volkskrant, Boeken, 7 maart 2003 (pagina 23)

'Als je een leven lang in de weer bent geweest met de dood, moet je niet raar opkijken als-ie bij je op de koffie komt', zegt schrijver/schilder Jean-Paul Franssens (65). De flamboyante schepper van menig smeuïg boek kreeg het afgelopen jaar twee ongenadige klappen te verwerken. Zijn oudste zoon pleegde zelfmoord, zelf bleek hij aan een ongeneeslijke ziekte te lijden. Een gesprek over schrijven en de dood.
NOEN-UUR in de Amsterdamse binnenstad. Om niet meteen zwaar op de hand te worden, dist Jean-Paul Franssens onder het gastvrij serveren van koffie en verse croissants onmiddellijk een prachtig verhaal op over zijn Groningse jeugd. Vertrouwde kost voor wie zijn autobiografische boeken kent - Een gouden kind, Een goede vader, Broederweelde, Zuiderkerkhof 1, De wereld wil bedrogen worden, Rozen uit het Zuiden, Kinderschrik -, maar altijd weer een genoegen om te horen, zodra de rasverteller losbrandt: 'Eén jaar zat ik op een katholieke jongensschool in de Butjesstraat. Je had daar ook een andere school, voor kinderen die niet goed snik waren, daar zat ik niet op. Toen mijn moeder hoorde dat zij niet in de hemel zou komen, want zij was niet rooms, zei ze: ''Dan neem ik mijn kinderen meteen van school en mee naar de hel, want ik hou van ze.''
'Ik ging met mijn vriend Jan mee naar de protestantse school. Daar trof ik meester Nuyen, die Stek heet in Rozen uit het Zuiden, waarin ik hem voor de klas laat sterven. ''Zo'', zegt meester Nuyen, ''waar is die school waar uw jongen vandaan komt?'' ''In de Butjesstraat'', antwoordt mijn moeder. ''Maar mevrouw, wij nemen hier geen Butjes aan!'' Als je een Butje was, betekende dat dat je een halvegare was. ''Nee'', riep ik verschrikt, ''ik ben geen Butje!''. O, dan was het goed. Nuyen was veel te blij dat een rooms jongetje bij hem op school kwam. Een overwinning voor die gereformeerde rothonden.' Lachend: 'Ook al was ik de stomste van de klas en bleef ik altijd zitten.
'Stek is niet voor de klas gestorven, hoor. En hij had ook geen volière boven de klas, zoals in mijn roman. Maar ik vind: als je zelf je verhalen niet leuk vindt, moet je ze ook niet aan een ander vertellen. Zouden meer mensen moeten doen. Vooral schrijvers. Kijk, ik moet het van een verhaal hebben. Ze vliegen mij zo toe. Ik hoef maar een boodschap te doen of ik heb een verhaal. Een ander loopt een maand in Zambia rond en komt dan terug - zonder verhaal. Voor mij onbegrijpelijk.
'Laatst zat ik in de trein. Tegenover mij een man in een keurig marine-uniform. Op zijn pet stond een grote letter B. Intrigerend. Wat gebeurt er nou? Die man haalt uit een tas een zak met fruit. Bananen. Niet één banaan, een hele zak vol. Die man haalt er een uit, peuzelt die banaan op - hup, schil weg, volgende banaan. De ene na de andere. Onderwijl zag ik maar steeds die B. ''Mag ik u vragen'', waagde ik voorzichtig, ''waar die B. voor staat?'' ''Jazeker'', zegt die man, ''dat staat voor Barbier.'' ''O, ik dacht even: voor Banaan.'' Vond-ie niet leuk. Dat is toch een verháál! Daar kun je mee aankomen, niet dan?
'Zo'n verhaal kun je laten uitdijen tot een grote roman. En wees dan nooit bang voor sentimentaliteit. Weten ook weinig schrijvers, net als critici. Als je de grote lijn maar vasthoudt, door middel van tempo, ritme, muziek, cadens. Je kunt geen brood bakken zonder een vorm. Het verhaal is het zout in de pap, het enige literaire genre dat overleeft. Oscar Wilde, Flaubert, Elsschot, Du Perron, mijn grote held Heinrich Heine: steeds als ik hen lees, hebben ze me weer bij de kloten met hun verhalen en gedichten. Ken je ''Lazarus'' van Heine? ''Und ist man tot, so muss man lang/ Im Grabe liegen; ich bin bang,/ Ja, ich bin bang, das Auferstehen/ Wird nicht so schnell vonstatten gehen.'' Dat willen de mensen horen. Shakespeare, Romeo en Julia: iedereen kent het verhaal, toch gaan ze ernaar terug. De Odyssee van Homeros: één groot stripverhaal. Vroeger hield de film in de bioscoop op als het spannend werd. Wordt vervolgd. Meteen kwam je de volgende dag terug. De bijbel: stampvol spannende verhalen over seks en overspel. Vertel het me duizend malen, en ik wil het steeds weer horen.
'Na Zuiderkerkhof 1 en De wereld wil bedrogen worden ben ik nu bezig met een derde deel voor de Privé-domein-reeks, waarin ik ook over mijn oudste zoon Mauringh wil vertellen, die vorig jaar is gestorven. Ik ben eraan toe die gebeurtenis vorm te geven, zodat ik ernaar kan kijken. Zo heb ik eerder geschreven over mijn ouders, over mijn overleden broer, over mijn neef de acteur Gerard Thoolen: op die manier kan ik ze conserveren. Zijn ze altijd bij me in de buurt. Nooit zal ik over het smartelijke verlies van mijn zoon heen komen. Toch wil ik dit proberen. Ik denk ook dat het me lukt, omdat zijn ziel dicht bij mij is. Een kind blijft altijd een deel van je.
'Veel mensen beschouwen mij als een bourgondisch en sanguinisch type. Als je mijn werk leest, zie je dat ik ook een andere, verstilde kant heb. De dood is altijd aanwezig. Ik kan het verdriet van de afgelopen tijd niet opschilderen. Schrijvend denk ik dat wel te kunnen.
'Vorig jaar zat ik tegenover mijn lijfarts, die me vertelde dat ik leverkanker heb. Komt van al die honderdduizenden liters bier, zullen anderen denken. Zo zit het niet. Als ik nooit had gedronken, had ik ook leverkanker kunnen krijgen. Helaas kan ik het niet meer terugdraaien, al die liters bier eruit pompen - dat zou me een mooie plens geven, hier voor de deur! Of dat ik boven in de Bijenkorf sta, en ineens gaat die kraan open en krijg je die niet meer dicht. Alle verdiepingen blank.
'Er is geen hoop op beterschap. Over een halfjaar kan het afgelopen zijn. Of een jaar. Of twee jaar. Nu ik zelf geconfronteerd word met de dood, ben ik er niet anders over gaan denken dan daarvoor. Het blijft abstract.
'Níet abstract is de ramp die mij trof toen ik in juni 2002 bij de dokter vandaan kwam, die bij een check-up ineens ongerust was over mijn lever. Hij maakte een scan, ik kon meekijken, zwaaide nog even naar mijn lever, maar hij gaf me een verwijsbriefje voor een radiologisch onderzoek. Ik ging naar huis. En tóen gebeurde het. Na vijf minuten ging de telefoon. Mijn zoon bleek diezelfde ochtend voor de trein te zijn gesprongen. Daardoor raakte ik in een shock. Het frappante is dus dat de heelmeester die over dood en leven gaat, constateerde dat er iets mis was bij mij op het moment dat mijn zoon net dood was.
'Een aantal weken later werd er een leverpunctie bij me gemaakt. Uitslag, ergens in oktober, november: kanker. Er kwam een soort blijdschap over me. Een gevoel van bevrijding: ik sta er niet alleen voor. Die jongen is dood, en ik ga lekker ook. Haha, ratatatata! Wij horen bij elkaar. Mauringh kende mijn werk van voor naar achter, beter dan ikzelf. Als die dokter had gezegd: ''Jean-Paul, kerel, goed nieuws, alles is oké'', dan zou ik gedacht hebben: mijn zoon wel en ik niet, hoe zit dat hier? Alsof vader en zoon samen in een bootje zitten, bootje slaat om, zoon verdrinkt, maar vader klimt weer aan wal. Zou ik van mijn leven niet willen.
'Die dokter zegt verbaasd: ''Jij vat het laconiek op.'' Want ik zei: ''Ik wacht rustig af.'' Drie weken geleden hoorde ik dat de situatie stabiel is. Geen verslechtering sinds juni. Tegen de kerst heb ik nog wel een inwendige bloeding gehad, maar door een goede verzorging en zes soorten pillen ben ik er weer bovenop gekomen. Soms vergeet ik er weleens een, of de kat vreet er stiekem een op. Valt-ie meteen in katzwijm. Ik zeg tegen de dokter: ''Nou, als de situatie nog twintig jaar stabiel blijft, dan teken ik ervoor.'' Ik laat er niks aan doen, geen chemokuur of zoiets, en moet elke maand op controle komen.
'Leefde mijn oudste zoon gewoon nog, dan had ik het moeilijker gevonden mijn ziekte te aanvaarden. Nu doe ik net of mijn neus bloedt. Deze maand word ik grootvader, ik maak plannen voor dat Privé-domein-deel en daarna nog één roman. En een dichtbundel. Ik zou het inmiddels wel aankunnen als ik aanstonds moest horen dat het plotseling bergafwaarts gaat. Zou het vreselijk vinden mijn vrouw achter te moeten laten, en mijn zoon en schoondochter. Maar voor mijzelf interesseert het me niet. Ik ben 65, heb sinds mijn verfilmde debuutnovelle De wisselwachter achttien boeken geschreven. Nooit herdrukken. Nooit één prijs voor gekregen. Dat is een prestatie hoor, in een land met zoveel prijzen.' Bulderend: 'Mij is het gelukt.
'In alle bescheidenheid gezegd: ik heb altijd vertrouwd in wat ik vond te moeten doen als schrijver. Het heilige moeten. Je móet erin geloven. Als een boek je te pakken heeft, dat het lóópt, dat is het allergoddelijkste moment dat er bestaat. Om het met mijn trouwe kameraad Montaigne te zeggen: in je eenzame schrijverskamertje converseert je geest met zichzelf. Aan de essays van Montaigne heb ik de laatste tijd veel gehad.
'Ik heb het gevoel dat ik een behoorlijke overlevingskans maak. Tegen alle uitblijvende verkoopsuccessen of prijzenregens in, en hoe schrijnend het misschien ook klinkt, gezien mijn huidige toestand. Maar mijn verhalen zíjn er. En volgens mij mogen die nog wel een poosje blijven.'
Copyright: Peters, A.
Het werk van Jean-Paul Franssens is verschenen bij De Harmonie en (vanaf 1999) bij De Arbeiderspers.

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat