Mijn Prive-domein
Mijn Privé-domein

Shortlist
Shortlist


Catalogus
Catalogus


Bijdragen aan website

Recensie

< Vorige pagina
Privé-domein nr. 213
Auteur(s): Jean-Paul Franssens
Titel: Zuiderkerkhof I
Recensent: Onno Blom
Bron: Trouw
Geplaatst door: Gerd-Jan Oud
Geplaatst op: 16-3-2007
Waardering: geen waardering bekend


'Ik ben niet bang, wel laf'
Trouw, 14 maart 1997

Jean-Paul Franssens: Zuiderkerkhof I. De Arbeiderspers, Amsterdam; Privé-Domein, 258 blz. - fl. 45.

Lees maar eens de volgende beschrijving van de volgeladen tafel, die door Franssens op pagina 160 tot de laatste kruimel wordt schoongegeten. Daarbij zij aangetekend: de schrijver heeft net een 'zeer erge en gevaarlijke koffievergiftiging' opgelopen:

``Dat duurde tot plusminus zeven uur 's avonds, toen had ik de moed me met bier en calvados wat op te kalefateren. Bij het avondeten was ik weer de oude. Ik at als voorgerecht een salade met kleine, harde, doormidden gesneden ingewandjes. Ik moet aan Johannes van Dam vragen wat dat geweest zijn, ik denk rognons, dus niertjes. Ze waren een beetje sponzig en taaiig, maar ik vond ze lekker. Daarna at ik een voortreffelijke forel, die daar op het land overal wordt aangeboden, vers uit de kweekvijver, zodat ik ze wel een maal of vier heb gegeten en een heerlijke jarret de veau. Het kalfsvlees is daar bijzonder mals, de dieren kijken je er in de weiden trouwhartig en zonder agressie aan. Er kwam een heerlijke roomsaus over met paddestoelen. Geen slappe champignons zoals wij die hier kennen, maar lekker en vlezig, met verse fijngesnipperde tuinkruiden. Als toetje een mousse met onderin dikke rozijnen met een verrukkelijke likeur en een magere, luchtig geklopte slagroomtoef. Zo. Mijn misselijkheid was over.''

Bent u daar nog?

Er bestaat nauwelijks een andere manier dan een lang citaat om te laten zien hoe gulzig en overdadig Franssens schrijft. Hij schildert zijn zinnen met brede, zwierige armgebaren. ``Verhalenvertellers zijn het sap der aarde'', stelt hij vol overtuiging. En vertellen, dat doet Franssens in 'Zuiderkerkhof I'. In brieven aan zijn vrienden Henk Hofland en Adri van der Heijden, in reisverslagen en persoonlijke notities schudt hij met veel bravoure kroegverhalen uit zijn mouw en tapt hij vieze moppen:

``Ik liet een lange, uitgerekte, knetterende scheet die door mijn beide broekspijpen in zijn benauwenis een veilig heenkomen zocht. Ik had er geen erg in dat er een Frans echtpaar naast me stond, anders had ik zijn scheurend geweld iets ingetoomd, tenslotte kun je van elke scheet een fatsoenlijke sluipscheet maken. Die stinken weliswaar veel en veel erger, maar vallen niet zo op. 'C'est un provocateur', zei de Franse meneer tegen zijn vrouw. Ook al was het niet mijn bedoeling geweest, ik kon hem er niet geheel ongelijk in geven.''

Hoewel een humoristische en smakelijke stijl Franssens niet ontzegd kan worden, overspeelt hij nogal eens zijn hand. Vooral als hij herinneringen ophaalt aan zijn jeugd op het weidse Groningse land, stapt hij herhaaldelijk over de grens van het cliché. Als hij de verhalen van zijn geliefde, vroeg gestorven moeder op ouderwetse toon navertelt en schrijft: ``Dat vind ik zo mooi van moeders vertellen, dat ze mensen zo goed nadoet'', dan krijg ik daar de rillingen van. En dat is niet van ontroering. Veel van de mierzoete melancholische scènes lijken rechtstreeks te stammen uit een terecht reeds lang vergeten streekroman.

Toch is het aardige van Jean-Paul Franssens dat hij zich bewust is van zijn eigen sentimentaliteit en onbedwingbare lust tot dikdoenerij. ``Tenslotte, wat is een schrijver zonder een dosis overdrijving?'', vraagt hij zich af hardop af na het vertellen van een sterk verhaal. Of, na een passage over het lieve gezicht van zijn moeder: ``Sentimenteel? Misschien. Maar waar is het wel''. Dit is een typisch Franssens-zinnetje. Het geeft haarscherp aan dat hij steeds zwenkt tussen de weergave van een wereld met een lach en een traan en de constante drang tot ironisering.

In een interview in deze krant zei hij over zijn schrijverschap: ``Als je een goed en degelijk kunstenaar wilt worden, moet je eerlijk durven zijn, de feiten onder ogen zien en jezelf tot op het bot ontleden. Als kunstenaar heb je een grote verantwoordelijkheid. Er zijn genoeg schrijvers die onverantwoord met de taal omgaan. Daar gruw ik van. Je bent aan jezelf en aan je lezers verplicht tot het uiterste te gaan''.

Franssens valt niet te verwijten dat hij zijn woorden niet nakomt. Hij schrijft buitengewoon openhartig en onbarmhartig over zichzelf. Dat deed hij al in zijn autobiografische romans 'Een gouden kind' en 'Een goede vader', waarin hij de pijnlijke ervaringen uit zijn jeugd optekende: over zijn vader die fout was in de oorlog en de hersenoperatie die hij als vijftienjarige jongen moest ondergaan. In 'Zuiderkerkhof I' - de titel verschaft lezers direct Franssens' Amsterdamse adres voor fanmail of boegeroep - doemt het beeld op van een grote, dikke, grove, tedere, onredelijke, begripvolle en geile man. De papieren Jean-Paul Franssens is net een echt mens.

Voor de laatste maal dringt zich de vergelijking met Jan Steen op. De schilder beeldde zichzelf vaak op zijn doeken af. Opvallend genoeg kwam hij er vaak niet goed van af. Een dikke man kijkt de toeschouwer aan, dronken, of op het punt belazerd en bestolen te woren door een schalks kijkend vrouwtje. Steen overdrijft. Hij houdt de kijker een lachspiegel voor, schildert het geslemp en gesukkel van een anti-held.

Ook Franssens' sterke kant is de zelfironie. ``Ik ben maar een arme schilderende schrijver zonder diploma's'', huilt hij. Of hij lacht in zijn vuistje, als hij grootmoedig toegeeft: ``Ik ben niet bang, wel laf''. Zo redt Jean-Paul Franssens zichzelf in 'Zuiderkerkhof I' vaak van de noodlottige nostalgische ondergang en toont hij zich koket en onverschrokken zoals hij is: een vat vol tegenstrijdigheden. Een vat dat bruist en borrelt, maar ook regelmatig overkookt.

Mijn gegevens


Gustave Flaubert,
Haat is een deugd
gekozen tot GOUDEN PRIVÉDOMEIN



Kies het mooiste voorplat